Interview met Ted van Lieshout

Op vrijdag 10 februari in De Standaard: mijn interview met Ted van Lieshout over zijn nieuwe roman voor volwassenen Mijn meneer. Een controversieel boek over de liefde tussen een 11-jarige jongen en een man. In mijn bijgevoegde recensie schrijf ik: ‘Mijn meneer zit literair gezien geraffineerd in elkaar. Van Lieshout brengt je helemaal in de leef- en denkwereld van de 11-jarige.’ Zie http://www.standaard.be. Met een bijzondere foto, door Patrick Post genomen.

‘Ik wil literatuur maken. Maar ik wil ook bijdragen aan de maatschappelijke discussie.’ Ted van Lieshout

Geplaatst in Interviews, Nieuws, Publicaties en interviews | Reacties uitgeschakeld voor Interview met Ted van Lieshout

De polderroman als nieuw Nederlands genre

GEPLOETER IN DE POLDER

– Door Maria Vlaar –

‘The plodder from the polders,’ kopte The Times een paar jaar geleden over W.F.Hermans. Geploeter in de polder: het is een mooie beschrijving van de Nederlandse literatuur, die zich steeds weer aangetrokken voelt tot het plattelandsleven. En dat in een land waar bijna geen platteland meer is!
De term ‘polderroman’ werd gemunt in 2006, bij het verschijnen van Gerbrand Bakkers succesvolle roman Boven is het stil. Dat boek geeft een filmisch en verstild beeld van het Nederlandse platteland en de zwijgzame hoofdpersoon, en is literair gezien eerder aan Nescio schatplichtig dan aan de godmother van de Nederlandse streekroman Henny Thijssing-Boer (die afgelopen zomer overleed). Ook Joe Speedboot van Tommy Wieringa, in een Duitse recensie de ‘Gabriel Garzia Márquez van de polder’ genoemd, wordt tot het genre gerekend.
De opkomst van het genre – want na Bakker zijn er tientallen polderromans geschreven – heeft te maken met het verkoopsucces, maar ook met het nieuwe maatschappelijke klimaat in Nederland. Het is uit de mode om het te hebben over de multiculturele samenleving, een gemengd huwelijk of de turbulente carrière van een immigrant, zoals in het wervelende Badal van Anil Ramdas. Wel is het fashionable te schrijven over leeghoofdige blanke plattelandsjongeren die niets anders doen dan zuipen. Dat is immers de ‘gewone Nederlander’ die de afgelopen jaren in ere hersteld is.
De polderroman is een typisch Nederlands verschijnsel: het Hollandse platteland wordt er geschetst als een vlak gebied met veel water, waar zwijgzame types wonen die handelen zonder te praten. Van de stad moeten ze niet veel hebben, die vinden ze maar ‘druk’. Cliché’s als molens, dijken en bloembollen worden niet geschuwd. Twee nieuwe romans over jeugdige plattelandsbewoners, van debutant Peter Zantingh en van oude rot in het vak Tessa de Loo, zijn de jongste loten aan de stam. Ze halen lang het niveau niet van Bakker en Wieringa.
Peter Zantinghs Een uur en achttien minuten speelt zich af in West-Friesland, het noordelijkste deel van Noord-Holland, het landsdeel met de grootste dichtheid aan zuipschuren: leegstaande bloembollen- en bloemkolenschuren bekleed met een massieve muur van kratjes Heinekenbier. Ieder weekend wordt er gezopen tot alles er weer van boven uitkomt. Eens per jaar, met kermis, gaan alle remmen los en rijden ambulances af en aan om de comazuipers op te halen.
West-Friesland is ook het gebied met de hoogste zelfmoordcijfers onder jongeren van Nederland. Dát is het nieuwsfeit waaromheen Zantingh zijn roman geschreven heeft. Joey heeft zelfmoord gepleegd. Zijn vier voetbalvrienden komen samen om de begrafenis te regelen en denken intussen terug aan hun jongensleven. Hoewel er gezegd wordt dat ze een ‘prachtige jeugd’ hadden, blijkt die te bestaan uit voetballen, voetbal kijken, bier drinken, porno downloaden en verder nergens over nadenken. Zelfs als ze twee weken naar Chersonissos op vakantie gaan – net als in de Nederlandse reality-tv-hit Oh Oh Cherso – doen ze niets anders dan eten, zuipen, lawaai maken totdat de buren klagen, en een zelfbedacht kopbalspelletje spelen. Sowieso worden in dit boek veel spelletjes gespeeld: tijdens de avondwake, in het ouderlijk huis waar Joey ligt opgebaard, verdrijven de vrienden hun tijd met Monopoly.
Dit alles wordt verteld om duidelijk te maken dat West-Friezen, en daarmee zijn ze geen uitzonderlijke Nederlandse plattelandsbewoners, één ding volstrekt niet kunnen: praten. Hun zwijgzaamheid maakt ongelukkig, en lijkt uiteindelijk ook de oorzaak van Joeys dood. Maar wat er onder de oppervlakte van het realistische drama speelt, komt de lezer niet te weten. Wel breidt Zantingh het genre van de polderroman uit met een paar nieuwe motieven: boterhammen met pindakaas, een rouwkrans met ‘rust zacht, kanjer’ en de broodbakmachine. De dood wordt met hetzelfde vocabulaire beschreven als het verliezen van een voetbalwedstrijd, of de verkeerde kaarten trekken in een spelletje. Verdriet wordt gesymboliseerd door een teddybeer, het moderne teken van rouw bij uitstek. Verder dan deze nieuwe Hollandse clichés komt het boek helaas niet.
Ook in Tessa de Loo’s Verraad me niet is een al dan niet verzonnen nieuwsfeit aanleiding. De roman gaat over een groep jongeren die veel lijkt op Joey en zijn vrienden. Het lijkt wel een recept: neem de thema’s van de succesvolle polderroman, mix daar wat oud-Hollandse motieven doorheen (een molen! een dijk! water!), roer er een hedendaags maatschappelijk item door, zoals Renate Dorrestein en Herman Koch die zo vaardig kunnen beschrijven, en klaar.
Tessa de Loo schrijft over de groepsdwang die uit kan gaan van zo’n clubje plattelandsjongeren in een keet op een weiland, die met hun brommers het dorp terroriseren. Om de verveling te verdrijven hangen ze met hun brommers achter de vrachtwagens en tractors van de boeren in het dorp. Dat gaat een keer fout: een van de vrienden komt onder een tractor en sterft. De tractorbestuurder, de brave huisvader Boomsma (tegenwoordig is daarvoor de term ‘hardwerkende Nederlander’ in gebruik), wordt in een wraakactie door de vriendenclub dodelijk verwond. Een daad van zinloos geweld, overgoten met alcohol. Ook in deze roman wordt niet onder stoelen of banken gestoken dat Nederlande plattelandsjongeren het hoogste drankmisbruik in Europa kennen.
Michiel, het dertienjarige broertje van de dader, was toeschouwer en moet vervolgens toezien dat de schuld op een achterlijke, onschuldige jongen wordt geschoven. Daardoor gaat hij nadenken over zijn leven, en peutert ‘met een tornmesje het weefsel van de vanzelfsprekendheid’ van de wereld om hem heen los. Het boek draait uiteindelijk om zíjn morele ontwikkeling, om zijn gewetensvragen. Wat onderscheidt de mens van een chimpansee? Gaat Michiel praten, of blijft hij zwijgen over wat er is gebeurd? Net als in het boek van Zantingh is zwijgzaamheid de kern van het boek. De Loo overschrijdt daarbij af en toe, zoals in meer van haar boeken, de grens tussen realisme en magisch-realisme, waarmee ze een stap verder gaat dan het polderrealisme van Zantingh. Imponeren doen deze uitstapjes niet: zo werkt de fantasie van de dertienjarige die zichzelf tussen de vogeltjes in zijn volière ziet zitten eerder kinderachtig dan vervreemdend.
Ik snak inmiddels weer naar een volwassen Nederlandse stadsroman.

Geplaatst in Nederlandse literatuur recensies, Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor De polderroman als nieuw Nederlands genre

Opwaaiende zomerjurken 30 jaar later

WEG MET ALLES  —

Voor mijn generatie, die groot groeide tussen de idealistische generatie van de jaren ’60 en de materialistische van de late jaren ’80 en ’90, was Opwaaiende zomerjurken een beslissend boek. Toen ik naar Amsterdam kwam om te studeren zat het boek maandenlang in mijn pukkel die als boekentas fungeerde. Het was mijn lijfboek, ik sleepte het overal mee naartoe en heb er ongetwijfeld te pas en te onpas uit geciteerd. Het is het boek aan te zien: de grijze verf van de kaft is er half afgebladderd en het boek ziet eruit alsof het mee in bad is geweest, een lot dat later meer van mijn boeken hebben moeten ondergaan.
Ik heb het gekregen, zo verklapt het boek zelf, van mijn toenmalige grote liefde, en het is de tweeëntwintigste druk, van juli 1981. Het boek was toen pas 23 maanden oud. In september 1981 werd ik 17 jaar, en dit was mijn verjaarscadeau.
In Opwaaiende zomerjurken is de gedreven indolentie van mijn generatie meesterlijk verwoord. Edo is op zoek, tijdens drie episodes in zijn leven, naar het alomvattende en allesverklarende systeem. In het eerste deel is zijn zoektocht sterk verbonden aan de moeder, die hem God suggereert als sluitsteen van zijn theorie van alles. Maar het verlangen naar volmaaktheid is dan nog een kinderlijke, en de zoektocht naar kennis, naar weten, naar woorden, wordt begeleid door onnozelheid, blindheid en twijfel. Wanhoop kan nog worden gestild door een liefkozing, en wereldse verlangens, bijvoorbeeld naar intimiteit met onbereikbare rijpere buurvrouwen, houden Edo op de been. Gedurende deze lange zomer, alleen met zijn moeder, met wie hij een verstikkende haat-liefde verhouding heeft, laat hij zijn imaginaire andere ik, Oskar Vanille, de vrijheid opzoeken: een zeiltocht over het grote open water, ook al is het dan in werkelijkheid de zandbak.
In het tweede deel wordt de zoektocht naar de theorie serieus en gedisciplineerd aangepakt. Edo bestudeert de antieke natuurfilosofen, die de wereld als een eenheid, opgebouwd vanuit één principe beschouwen. In het principe ‘alles is getal’ denkt hij, voor even, zijn theorie gevonden te hebben.
In het derde deel barst alles uit. Edo denkt in de romantische liefde de eenheidsgedachte te hebben gevonden, maar komt natuurlijk bedrogen uit. Ook de liefde voldoet niet als verklarende principe voor een allesomvattende eenheid. Blijft over: de overgave aan de versplinterende, zelfdestructieve krachten die de held van Opwaaiende zomerjurken leiden naar een existentiële crisis. In die crisis gaat het om het afleggen van de wil: slaaf worden, of beter nog: blanco worden, willoos. Vanuit die crisis komt de katharsis, op de allerlaatste pagina van het boek. Gesteld voor de keuze voor dood of leven kiest Edo voor de levenswil.

In de tijd dat dit boek in de tassen van mij en mijn leeftijdgenoten zat, vierde de punk zijn hoogtijdagen. De wens om wat mooi en goed is kapot te maken, of het nu jezelf is, je huis, je familiebanden, je lichaam of je geliefde, was krachtiger dan ooit. Schoonheid had geen waarde, geschiedenis bestond niet. Je moest vooral niet rationeel leven, je moest je niets voornemen, zelfs niet voor de dag van morgen, je mocht niets plannen, en alles moest steeds open blijven. Wat je wel moest doen: op zoek gaan naar alles wat krachtig was. Beter om verscheurd door liefdesverdriet door de straten te zwalken dan rustig op de bank zitten met een kopje thee. De doelloosheid van het leven moest krachtig beleden worden. De dood werd daarbij vaak aantrekkelijker gevonden dan het leven: er werd voortdurend gekoketteerd met de dood, door overmatig drugsgebruik, zelfmoordgedachten en agressie. De grootsheid van het gevoel voor de dood was belangrijk: beter te sterven dan redelijk veilig en enigszins tevreden te leven.
Dat levensgevoel werd door Oek de Jong verbluffend goed getroffen. Ook Edo sluit geen enkel compromis. Als de liefde hem niet totaal vervult, hem niet de ogen opent voor een totaal begrip van de wereld, dan kiest hij tégen die liefde. ‘Het enige dat hem interesseerde was extreem te zijn.’ (p. 212) De grote angst voor het normale en het gemiddelde maakt enorme krachten los.
Na de generatie van de jaren ’60 verloor iedere ideologie zijn aantrekkingskracht. In de punktijd was er geen enkel vertrouwen in of zelfs maar beeld van de toekomst. Als er geen enkele instantie meer is om een levensovertuiging aan op te hangen, geen God, geen Mao, zelfs geen Castro meer, dan zit er niets anders op dan zelf goddelijk te worden, in zowel de creatieve als de demiurgische zin. Dát is wat Edo doet, hij wordt zijn eigen god en neemt zijn leven geheel in eigen hand, en dat is ook wat het boek zo aantrekkelijk maakte. Het bood een uitweg uit de uitzichtloosheid, vreemd genoeg door een verstikkend en destructief soort van individuele eigenwijzigheid te tonen.
Want Edo kiest een uitweg die in mijn generatie niet voor hand lag. Het lijkt alsof er twee dingen zijn die hem uiteindelijk aan het leven binden: natuur en kunst. Zijn katharsis, op de laatste pagina, beleeft hij in het open water van een van de Friese meren, waar de natuur om hem heen raast. Zo komt hij terug bij de idee van de natuurfilosofen uit het tweede deel.
En de kunst biedt hem de mogelijkheid een reddend alter ego op te bouwen. Als hij in het derde deel zojuist zijn grote liefde Nina tijdens een vakantie in Italië heeft verlaten, zoekt hij in Rome in musea en galleries naar de perfectie. In Titiaans Amor Sacro e Amor Profane ziet hij het zuivere, het symmetrische en het esthetische dat hij zelf zo zoekt en nooit kan vinden. En later ontmoet hij dan ‘de man met het Clark Gable snorretje’, de man die op een schijnbaar natuurlijke wijze alles onder controle lijkt te hebben en die altijd zijn woordje klaar heeft. Hij biedt Edo in een periode van op de loer liggende gekte en depressie een sterke alternatieve ik. Hij is de man die door spel, door toneelspel, door ironische distantie, door smaak en onderscheidingsvermogen altijd op de been blijft. Niet de perfecte man, maar beter dan het geestelijke wrak dat Edo, weer terug in Amsterdam, is geworden.
Misschien dat deze kunstfiguur hem laat zien dat perfectie een spel is, dat de zoektocht naar een alomvattend vormend principe te groot is voor een mens, en dat de mens het moet doen met toenaderingspogingen, waarvan kunst de meest geslaagde is.

In het tweede deel zitten de mooiste passages uit de Nederlandse literatuur over de tegenstrijdigheid waar een puber met veel gevoel en verstand aan ten prooi kan vallen. Edo logeert bij zijn oom en tante, op wie hij heimelijk verliefd is, op een eiland, en probeert daar aan zijn theorie te werken. Als 17-jarige lezer zag ik een 18-jarige jongen met stekelhaar in wanhoop; precies zo’n figuur als waarmee ik me in mijn eigen leven omringde, maar dan van binnenuit beschreven, adembenemend niet-gewoon in zijn denken en in zijn gedragingen. De pesterige, jennende toon van de 18-jarige die denkt alles al te weten, en die de volwassenen om hem heen verafschuwt vanwege hun veilige, besloten manier van leven. Het steeds maar doorgaande, redeloze denken dat schijnbaar tot grote inzichten leidt, die vervolgens maar niet begrepen worden door de volwassenen. De alleen door jezelf gevoelde geestelijke verhevenheid boven de anderen. De allesverterende onzekerheid over seksuele gevoelens, maar ook over de meest normale dagelijkse dingen. En ten slotte het hevig gevoelde sadistische gedrag van de volwassenen: oom Herman, die Edo’s droom van een klaar, glanzend wijsgerig systeem wreed verstoort met “In 7 ½ minuut zal ik al je denkbeelden om zeep helpen.”(p. 122)
Aan het slot van deel 2 verdwijnt Edo van het eiland met een diagonaal kaalgeschoren bebloede streep over zijn hoofd. Dat was een herkenbaar symbool voor een puber in die tijd: de pijn moet te zien zijn, niet verborgen in de geest, maar zich uiten in het lichaam.

Het boek laat dus zien, hoe zwart het soms ook is, dat er strohalmen zijn voor de mens die lijdt onder de cynische werkelijkheid. Er is de natuur, die volgens zijn eigen wetten en regels voortschrijdt, en die zich niets aantrekt van de pogingen van de mens om de wanhoop te bestrijden. En er is de kunst, die halfgeslaagde poging om de perfectie te benaderen. De kunstmatige opwekking van emoties, van schoonheidsliefde, van een soort van waarheid, heeft een prettige, verdovende werking op de onrustige geest van de zoekende mens. Edo is in zijn almaar voortdurende zoektocht een vat vol onrust en tegenstellingen. Hij schreeuwt om liefde, maar rent weg als de liefde zich aandient. Hij is een open zenuw, maar probeert tegelijk alles te rationaliseren. Hij zoekt natuurlijkheid, maar kiest kunstmatigheid.
Het tot een eenheid smeden van al deze tegenstellingen, Edo’s doel in het leven, blijkt niet een proces te zijn dat gestuurd kan worden. Hij probeert het op allerlei manieren, maar zijn doelgerichtheid leidt hem alleen maar verder de chaos in. De versplintering kan alleen tot een glanzende, schitterende eenheid samensmelten in het onderbewuste. Dát is het moment van de opwaaiende zomerjurken, achterop de fiets bij zijn moeder: een groot geluksgevoel, een onbeschijflijk licht en ruim gevoel. “Alles was gewoon zoals het was. Maar hij hoorde bij alles en zweefde.”

Het idee dat dit gevoel zelfs een getormenteerde ziel als Edo kan overkomen, is ongelooflijk troostend geweest voor mij en mijn vrienden. Zelfs als het je maar twee keer in je leven overkomt: het is een perspectief, het geeft vertrouwen in de toekomst en in de mens. Het biedt een wil tot leven.

Geplaatst in Essays | Reacties uitgeschakeld voor Opwaaiende zomerjurken 30 jaar later

Austerlitz in vertaling

door Maria Vlaar

W.G. SEBALD is de schrijver van het boek in vertaling dat in 2008 de meeste indruk op mij heeft gemaakt: Austerlitz, in de vertaling van Ria van Hengel. Sebalds lange, muzikale zinnen, zijn wat formele, bijna ouderwetse woordgebruik, de inbedding van allerlei uitwijdingen in alinea’s waarbij aan het einde blijkt hoe raak en precies ze geschreven zijn: Ria van Hengel lijkt het helemaal te hebben begrepen en heeft er een prachtige tekst van gemaakt. Austerlitz is vreemd genoeg mijn eerste Sebald. In mijn boekenkast staan drie eerdere vertalingen, waarvan twee ook door Ria van Hengel, ongelezen op mij te wachten. Uitgeverij Van Gennep, die vroeger patent leek te hebben op meesterlijke vertalingen, liefst van latere Nobelprijswinnaars, gaf ze begin jaren 90 uit, kennelijk te vroeg om opgemerkt te worden. Ik heb ze ooit met vooruitziende blik mee naar huis genomen, en nu heb ik ze nog tegoed.

Er wordt wel gezegd dat Sebalds ‘ouderwetse’ stijl te maken heeft met zijn levensgeschiedenis. Hij is geboren in 1944, aan het einde van de oorlog, in de buurt van Munchen, Duitsland. Vanaf 1970 woonde hij in Norwich, Engeland, waar hij Europese literatuur doceerde aan de universiteit. Pas toen hij al 20 jaar in Engeland woonde, en het Engels zijn tweede moedertaal geworden was (voor zover dat mogelijk is), debuteerde hij. In het Duits, de taal die allang niet meer zijn voertaal was. Zou hij in zijn eigen literaire werk simpelweg teruggrijpen op de taal van zijn jeugd? Zou dat Sebalds stijl verklaren? Een veel te gemakkelijk antwoord, lijkt me.
Sebald heeft een unieke manier van schrijven uitgevonden. Aan de hand van een verzameling foto’s, kiekjes beter gezegd, reconstrueert hij de levens van zijn hoofdpersonen die voortdurend ongemerkt de grens tussen feit en fictie overschrijden. Zijn personages hebben een geobsedeerde aandacht voor een intellectuele bezigheid. Zo deelt Austerlitz, hoofdpersoon van het gelijknamige boek, de interesse van de verteller van het boek voor de architectonische constructie van werkelijk bestaande treinstations, verdedigingsforten en gebouwen als het labyrintische Paleis van Justitie te Brussel. Dat geeft Sebald weer de mogelijkheid in zijn schrijven voortdurend de grens tussen roman en essay over te gaan, en maakt dat de lezer zelf op speurtocht uitgaat: wat is echt en wat niet? En is die vraag eigenlijk relevant?
Jacques Austerlitz komt in de loop van de roman tot een grote ontdekking: als kind is hij met het beruchte Kindertransport uit Praag aan het begin van W.O.II naar Engeland gebracht, met achterlating van zijn joodse familie en al zijn herinneringen. Hij reconstrueert zijn verleden op een vergelijkbare manier als de schrijver van dit boek schrijft en de lezer van dit boek leest: op zoek naar sporen, aanwijzingen, handreikingen, verhalen, die tezamen een mogelijk interpretatie van een verleden kunnen vormen. Wat is geschiedenis? Dit half verzonnen, half ware verhaal komt er misschien het dichtste bij in de buurt: een reconstructie met zoveel middelen dat het levensecht lijkt, en diep ontroeren kan. Zo is Liverpool Street Station niet alleen een architectonisch hoogstandje en een spin in het fijnmazige Londonse trein- en metroweb, het is ook de plek waar de Tjechische kinderen in 1938 en 1939 voor het eerst voet aan Engelse bodem zetten en waar hun verleden werd uitgewist.

Sebald schreef (tot zijn plotselinge dood in 2001) dus in het Duits, de taal waarin hij is opgegroeid. Hij heeft deze taal nodig om zijn boeken te kunnen schrijven: het verleden bestaat uit verhalen, soms uit verhalen bij foto’s, en verhalen bestaan uit taal. In zijn geval: de taal van het verleden. In Nederland wordt subsidie gegeven aan schrijvers van buitenlandse afkomst die talentvol zijn en aangeven in het Nederlands te willen gaan schrijven. Kader Abdolah is een goed voorbeeld van een schrijver die het Nederlands, een taal die ver van zijn moedertaal afstaat, tot zijn schrijftaal heeft gemaakt en in het Nederlands heimwee naar Iran heeft. Alle argumenten om dat te doen vallen weg als je ziet dat Sebald daar geen boodschap aan had: het Engels, de taal die hij meer dan machtig was, was voor hem kennelijk geen optie. Saillant daarbij te weten is dat Sebald het British Centre for Literary Translation heeft opgericht en als groot pleitbezorger voor de professionalisering van vertalers literair vertalen tot een universitair vak in Engeland heeft gemaakt.

Het boek werd in de Engelstalige wereld ontvangen als een meesterwerk. Overal kreeg het positieve recensies, en Sebald werd ingehaald als een internationale schrijver van wereldfaam. De recensenten lazen het boek natuurlijk niet in het origineel, maar in de Engelse vertaling van Anthea Bell, en dat zat sommigen toch wel dwars, blijkt uit onderstaand palet aan recensies.
Op de Amazon-site staat in een juichende (anonieme) recensie van het boek de volgende opmerking: “I noticed when I started this book that it is a translation done by Anthea Bell, but this may in itself be just a literary device, or the author must have worked very closely with the author. How else could he, or she, or both have achieved such beautiful English prose.”
Ook in een artikel in de Independent van Boyd Tonkin over de nominees voor de Foreign Fiction Prize 2002, waarvoor ook de vertaling van Over het water van Hans Maarten van den Brink was genomineerd, wordt de symbiotische samenwerking tussen auteur en vertaler geroemd: “A work of the first magnitude, well served by the writer’s close and successful relationship with his translator.”
En in de The Guardian schrijft Stephen Romer over de vertaling: “Although Sebald’s books were all first published in Germany, it was not until their rapturous reception in Britain and America that the true stature of this writer was gauged. The fact that these works are in translation adds another twist, because the prose attains a perfection rarely matched by contemporary anglophone writing: the achievement of his translators, Michael Hulse and Anthea Bell, who worked in close collaboration with Sebald, should be acknowledged from the outset.”
En de Times Literary Supplement schrijft: “This wonderful book seems more of a parallel version than a translation in the usual sense; it manages to convey the impression… that it was initially thought of in English.”
Tsja, zijn dat nou complimenten of beledigingen? Voorop staat dat ze natuurlijk complimenteus bedoeld zijn, deze reacties. Sebald is een geweldige schrijver, daar zijn alle Engelse en Amerikaanse recensenten het wel over eens. Waarom moest hij dan zonodig in het Duits schrijven, hoor je ze denken. Maar gelukkig: zijn Engels is zo goed, en zijn vertaalster heeft zo goed naar Sebald geluisterd, dat je het nauwelijks merkt. Sterker nog: zijn boek lijkt wel in het Engels geschreven, zo briljant is het!
In Nederlandse, of liever, in Europese recensies wordt bijna nooit een opmerking gemaakt over de vertaling – behalve soms, als de vertaling het begrip in de weg lijkt te staan. Soms is het nu eenmaal zo dat de vertaler tussen de schrijver en lezer in blijft staan, in plaats van de luiken te openen en de weg te effenen. Op dat effect lijkt Wendy Lesser te doelen in haar artikel ‘The Mysteries of Translation’ (The Chronicle, 27-9-2002), een van de zeldzame stukken over vertalen van de hand van een oprecht geinteresseerde Engelstalige lezer. Zij las eerst een boek van Sebald in de vertaling van Michael Hulse, en las toen Austerlitz: “…I was startled. I suspect that on some level Bell’s translation is as good as Hulse’s, but it was nonetheless a barrier I felt I had to overcome, a new voice added to “Sebald’s” old one. (My “Sebald,” that is, had consisted of Sebald plus Hulse.)” Deze ervaring had zij opnieuw toen zij de vertaling, door Michael Hamburger, van Sebald postuum verschenen boeklange prozagedicht After Nature las. Lesser schrijft vervolgens dat de schok die zij ervoer ook veroorzaakt kan zijn door een verandering van genre: het kan zijn dat Sebald zelf een bewust andere schrijfstijl beoefent in Austerlitz, volgens haar zijn meest fictieve werk. “Sebald remained essentially Sebald, for great writers can never escape themselves, whether through translation or through their own development or even through death.” Dat is een beetje als de gewoonte om op poëziefestivals in verre buitenlanden een gedicht voor te dragen zonder er een vertaling bij te leveren: alsof goede literatuur boven de taal uitstijgt en direct herkend wordt, ook al versta je er geen klap van…
Hoe verschillend de accenten ook liggen, in de Engelstalige wereld wordt kennelijk toch gedacht dat een groot schrijver, een schrijver van wereldformaat, in het Engels schrijft. En als hij dan per ongeluk toch een Duitser blijkt te zijn, die nota bene nog in het Duits blijkt te schrijven ook (waarom toch?), dan heeft hij zijn wereldfaam alsnog aan zijn perfecte beheersing van de Engelse taal te danken.

Wat zegt Anthea Bell er eigenlijk zelf over, hoor ik u denken. In een interview over hun samenwerking met Sebald en Bell (In Other Words no. 21, summer 2003) beschrijft Bell Sebald als een schrijver van een uniek soort Duits, dat geen andere moderne Duitse schrijver hanteert. Dan zegt ze iets opmerkelijks: “…It is particularly pleasant to translate an author whose own English is so good, I mean, I don’t think that Max (Sebald) needs a translator actually…”
Daar denkt Sebald kennelijk anders over. Hun samenwerking was zo intens, dat tijdgebrek niet de reden kan zijn dat hij het niet zelf vertaald heeft. Hij zegt uiteindelijk dat de Engelse versie een “ somewhat different book from the German version” is geworden. In het voorbeeld dat hij dan aanhaalt, zit volgens mij de crux. Hij heeft het over een zin van negen pagina’s lang, op het eind van het boek, waar met gebruikmaking van nazistische propagandistische termen het ‘allesomvattende systeem van internering en dwangarbeid’ van het concentratiekamp Theresienstadt wordt beschreven – in één lange zin, waardoor de allesomvattendheid van het verstikkende, dodelijke systeem de lezer ook werkelijk geen ademtocht meer laat. In die beschrijving telt slechts een taal: het Duits. Het stempel R.n.e. ‘Ruckkehr nicht erwunscht’ bestaat niet in het Engels, en ook niet in het Nederlands. Net als Anthea Bell heeft Ria van Hengel in deze pagina’s zoveel mogelijk Duits laten staan – de enige mogelijke oplossing voor wat een vertaalprobleem lijkt. Maar het is veel meer dan een vertaalprobleem: het is de reden waarom Sebald alleen in het Duits schreef, en een grote Duitse schrijver van wereldformaat is, zelfs in vertaling.

Geplaatst in Essays | Reacties uitgeschakeld voor Austerlitz in vertaling

STEPHAN ENTER

STEPHAN ENTER
De buitenwereld, daar doet Stephan Enter niet aan. In Grip stelt hij zonder concessies te doen aan de Zeitgeist de psyche van de esthetische mens tegenover de kracht van de natuur.

Stepahn Enter
Grip
Roman, 183 pagina’s, uitgeverij Van Oorschot

door Maria Vlaar

In Grip, de nieuwe roman van Stephan Enter, die met zijn derde boek Spel (2007) al liet zien tot de belangrijkste schrijvers van zijn generatie te horen, draait alles om drie mannen, die houden van dezelfde vrouw, Lotte. Ze zijn totaal beschäftigt met hun binnenwereld. Aan het einde van het boek weet je van geen van drieën hoe ze hun geld verdienen. Nou, oké: Paul leeft van het familiekapitaal (maar hoe?), Martin is hoogleraar in Wales (maar waarin?) en Vincent heeft net een carrière in Japan (in wat?) opgegeven. En Lotte is kunstenaar geworden (maar in welke kunst?).
Toch wordt de lezer op ingenieuze wijze de levens van de drie mannen ingetrokken. Vincent en Paul, in de veertig, zijn met de Eurostar onderweg naar Wales, naar het huis van Lotte, Martin en hun dochtertje, om de reünie van hun alpinistenclubje bij te wonen. Tegelijk reist Martin naar een treinstation om hen op te halen. Tijdens hun reis denken de drie mannen terug aan hoe ze elkaar ontmoetten, aan hun levensgevoel van twintig jaar eerder en aan de verwachtingen die ze toen van elkaar hadden. Lotte blijft buiten beeld: die bestaat alleen in de herinnering van de mannen. In het nu is ze alleen op een fotootje te zien, onherkenbaar verouderd, veranderd.
Want dat is waar Grip over gaat: de veranderlijkheid van het leven, het loslaten van dromen en wensen, en de vervormende werking van zowel de tijd, als van het geheugen. Steeds weer word je door zinsnedes als ‘hij kreeg er het beeld bij’ en ‘hij kreeg een herinnering’ doelbewust gewezen op de werking van het geheugen. Dat is een verhaal vertellen in kreeftengang. Terwijl je vooruit gaat in de tijd ga je achteruit in de herinnering. Soms is dat kunstmatig, zeker als er wéér een Engels landschap, treinstation of saai gesprek met een medereiziger beschreven moet worden, dat toch, dat voelt de lezer allang, vooral tot doel heeft om opnieuw een herinnering op te roepen.
Maar Stephan Enter schrijft prachtig, en zijn psychologische portretten zijn bijzonder verfijnd. Zelden heb ik een kind zo goed in woorden getroffen zien worden als het dochtertje van Martin en Lotte.
De vroegere onderlinge verhoudingen en psychische spanningen, gekruid met een dosis toevalligheden en verkeerde beslissingen, hebben de toekomst van Paul, Martin en Vincent bepaald. Hun herinneringen bestrijken een periode die voor ieder mens beslissend is: de studietijd. De popsongs uit die tijd bepalen voorgoed je muzieksmaak, de liefdeservaringen je liefdesleven, de studiekeuzes je carrière. Daarom is Grip ook een generatieroman. In hun studententijd, de jaren tachtig, was deze generatie altijd kritisch en altijd ironisch. Vriendschappen werden steeds weer getest. En boven alles stond de esthetiek. De nieuwe romantiek, Van Morrison, Casper David Friedrich, Neue Deutsche Welle. Wie mij nu verliest, is waarschijnlijk net een paar jaar jonger of ouder dan ik. Als je van een andere generatie bent, is deze nostalgie dan na te voelen?
De economische werkelijkheid, de politiek of de maatschappij bestaan niet in dit boek. Er staat maar één grote kracht tegenover of buiten de menselijke psychologie, en dat is de natuur. Die natuur komt tot glorieuze wasdom in het hoge Noorden, waar het alpinstenclubje twintig jaar eerder een klimexpeditie ondernam. ‘Noorwegen (was) geen land; het was het begin van, een doorgang naar – iets onmetelijks, een aangrijpende verlorenheid die hij niet eerder had ervaren.’ Het noorderlicht, de ijle lucht, het ijs, de bergtoppen: ‘Geen twijfel dat ook hier de zon zou schijnen als er nooit een mens had bestaan.’ Op de Lofoten beleven de vrienden hun finest hour en deze reis wordt een ijkpunt in hun leven. ‘Zo gelukkig zullen we nooit meer worden,’ zegt Lotte. De een redt de ander van de dood, de ander verklaart de verkeerde persoon de liefde, de derde mist de kans van zijn leven. En allemaal hebben ze er andere herinneringen aan, die elkaar soms tegenspreken. Epifanische momenten volgen ook twintig jaar later, vlak voordat ze Lotte weer zien: plotseling lijken alle levenslijnen en doelen helder. En is Lotte werkelijk nooit meer zo gelukkig geworden als toen in Noorwegen?
Je kunt kriegel worden van de voortdurende gedachtenstroom van de estheet Paul, die fantaseert over de onsterfelijkheid. Het verhaal over het eerste vriendinnetje dat wordt opgehemeld en verafgood totdat ze, net een echt mens, uit haar neus blijkt te eten, kun je geneuzel vinden. En misschien kun je een wereldbeeld missen onder Enters natuurbeelden en scherpe psychologische portretten. Maar de buitenwereld, daar doet Stephan Enter niet aan. In Grip stelt hij zonder concessies aan de Zeitgeist te doen de psyche van de esthetische mens tegenover de kracht van de natuur, in een virtuoze stijl.

Geplaatst in Nederlandse literatuur recensies | Reacties uitgeschakeld voor STEPHAN ENTER

Robert Anker recensie

ROBERT ANKER
Oorlogshond is een boek dat midscheeps treft. Een thriller die van actie naar actie jaagt, maar ook een experimentele ideeënroman. Maar om welke ideeën gaat het Anker uiteindelijk? Niets lijkt er nog toe te doen, in zijn paradoxale universum.

Robert Anker
Oorlogshond
Roman, 334 pagina’s
Querido

Door Maria Vlaar

Michiel de Ruyter is Nederlands beroemdste zeventiende-eeuwse zeeheld. Zijn portret sierde vóór de euro de biljetten van 100 gulden. Boven zijn grafmonument in de Nieuwe Kerk in Amsterdam staat ‘Immensi Tremor Oceani’, ‘Schrik van de Grote Oceaan’. En zo was het ook: hij begon zijn carrière als kaper en wapenhandelaar, en eindigde als opperbevelhebber van de Nederlandse vloot.
In Oorlogshond, de nieuwe roman van romancier en dichter Robert Anker, heet de gewelddadige hoofdpersoon ook Michiel de Ruyter. En net als zijn beroemde naamgenoot is hij een meedogenloze vechtersbaas met charisma. Helden worden niet uit sympathie geboren. Helden doen iets wat niemand anders durft. Dat is wat ze tot held maakt.
Ook de Michiel de Ruyter van Robert Anker doet iets wat niemand durft. Hij verbaast zijn milieu van intellectuelen, filosofen en leraren op de middelbare school door letterlijk het gevecht met de wereld aan te gaan. Hij wil leven on the edge, maar in een wereld waar alle taboes en grenzen doorbroken zijn, moet je heel ver gaan wil je nog een thrill krijgen.

De nabije toekomst waarin de roman speelt ziet er heel anders uit dan je nu kunt vermoeden. Wat nu het grootste maatschappelijke probleem in Nederland lijkt, de integratie van de moslimgemeenschap, is opgelost. Ook het Palestijns-Israëlische conflict is beëindigd, net als het Belgische: Vlaanderen is een eigen staat, en Wallonië een provincie van Frankrijk.
De samenleving wordt geteisterd door nieuwe problemen, die toch vaag vertrouwd aandoen, zoals ruzie tussen de voor- en tegenstanders van het ‘Andere Leren’, dat bijna geen kennisoverdracht meer behelst, een hevige anti-Europese stemming en een regionalisme zonder weerga. De Nederlandse provincie Saumerland wil onafhankelijkheid, onder leiding van Marianne Aboutaleb. Inderdaad, de moslims van nu zijn de populistische reactionairen van straks, en zetten zich in voor de boeren, voor het gewest, voor het platteland, voor het herstel van waarden. De gehate vreemdelingen komen inmiddels uit Rusland.
In dat verwrongen Nederland leeft Michiel de Ruyter, classicus en gepromoveerd filosoof, drugsdealer, leraar, freefight bokser, huurling in Afrikaanse oorlogen met kindsoldaten, volkshitser, moordenaar, autoracer en populist. Michiel leidt de strijd van Saumerland en richt een bloedige burgeroorlog aan. Hij doet alles wat de god van de christenen verbiedt. Michiel lijkt een onmogelijke hoofdpersoon, en dat is hij ook. Hij is geen mens, of het zou er een met een meervoudige persoonlijkheidsstoornis en ADHD moeten zijn. Nee, Michiel is een mythologische held, en Robert Anker heeft zijn ontsporende mythe geënt op het Griekse heldenepos over de wrede, emotionele Achilles, die onwillige minnaars de kop afhakt, de een na de ander tot bijslaap neemt, en na zijn dood een halfgod wordt.
In Oorlogshond is alles veroorloofd, want iets als ‘moraal’ is volkomen passé in Michiels belevingswereld. Consequent hoeft hij dus niet te zijn. Zo is hij als leraar op de school waar dit epos begint, een militante tegenstander van het ‘Andere Leren’. Om ineens op pagina 131 een voorstander van dat Andere Leren te blijken. Hij is zowel volstrekt bandeloos – groepsseks met leerlingen, vrij drugsgebruik, en het voortdurend overtreden van alle maatschappelijke regels – , als een gediciplineerde soldaat, die een eigen leger drilt. Hij raakt op sentimentele wijze depressief als zijn grote liefde hem afwijst, maar predikt onder zijn groupies tegen de Liefde en voor de vrije seks. Hij laat zich alleen door lage driften leiden maar doet wel een oproep tot ‘Bildung’. Hij wisselt van ideaal zoals een ander mens van onderbroek.

Anker schetst een toekomstbeeld waar je koud van wordt. Filosofie en literatuur zijn volkomen irrelevant geworden. Dat maakt somber. Je kijkt naar je boekenkast en denkt: daar moet dus de fik in. Zou dàt nou neo-nihilisme zijn? Maar hebben we dan niet toch weer de filosofie nodig om er iets van te kunnen begrijpen?
Net als de held in dit verhaal durft de schrijver alle regels los te laten. Ankers stijl switcht van korte, hijgerige zinnetjes naar filosofische exposés, van subtiele virtuositeit naar botte lelijkheid. Hij creëert een volkomen onbetrouwbare verteller, die dan biograaf, dan medestrijder, dan alter ego van Michiel is.
Oorlogshond is een boek dat midscheeps treft. Een thriller die van actie naar actie jaagt, maar ook een experimentele ideeënroman. Maar om welke ideeën gaat het Anker uiteindelijk? Niets lijkt er nog toe te doen, in zijn paradoxale universum. Omdat het toch maar literatuur is? Is dat wat Anker met Oorlogshond wil zeggen?

Geplaatst in Nederlandse literatuur recensies | Reacties uitgeschakeld voor Robert Anker recensie

Essays

Over schrijvers en boeken, De Tweede Wereldoorlog en de literatuur, vertalen en meer. Hier is een link te vinden naar een essay over Opwaaiende zomerjurken, het cultboek van Oek de Jong. Gepubliceerd in Een klievende roman. Ook een essay over W.G. Sebald als ‘Engelse’ schrijver.

W.G. SEBALD als Engelse schijver in het Duits Lees verder

OEK DE JONG Weg met alles Opwaaiende zomerjurken 30 jaar later Lees verder

Geplaatst in Essays, Publicaties en interviews | Reacties uitgeschakeld voor Essays

Interview met Ilija Trojanow

Voor De Standaard en de Nieuwe Liefde interviewde ik de Bulgaars-Duitse schrijver Ilija Trojanow over zijn engagement, zijn verleden, zijn boeken, zijn toekomstidealen.

Ilija Trojanow op bezoek in Brussel FOTO Maarten Albrecht

ILIJA TROJANOW (1965) is een globetrotter pur sang. Hij ontvluchtte als kind met zijn ouders het communistische bewind in Bulgarije, leefde een poos in een asielzoekerscentrum in Italië, daarna in Duitsland, en ging vervolgens in Nairobi, Kenia naar school. Een interview over engagement, bestsellers, politiek, smeltende ijskappen, Moby Dick en Arnon Grunberg.
Publicatie: De Standaard, de Nieuwe Liefde

Geplaatst in Interviews, Publicaties en interviews | Reacties uitgeschakeld voor Interview met Ilija Trojanow

Recensies van Nederlandse literatuur

Recensies van Nederlandse en Vlaamse boeken, in alfabetische volgorde (achternaam auteur). Voornamelijk gepubliceerd in De Standaard, en daarnaast in het tijdschrift Boek, publicaties van het Vlaams Fonds voor de Letteren en het Nederlands Letterenfonds en de Athenaeum nieuwssite. Geïnteresseerd in een recensie die niet online te vinden is? Stuur mij een e-mail.

JAN-WILLEM ANKER Een beschaafde man

ROBERT ANKER
Oorlogshond is een boek dat midscheeps treft. Een thriller die van actie naar actie jaagt, maar ook een experimentele ideeënroman. Maar om welke ideeën gaat het Anker uiteindelijk? Niets lijkt er nog toe te doen, in zijn paradoxale universum.
Lees verder

BERNLEF Onbewaakt ogenblik

MIRJAM BOELSUMS Dronk

STEPHAN ENTER
De buitenwereld, daar doet Stephan Enter niet aan. In Grip stelt hij zonder concessies te doen aan de Zeitgeist de psyche van de esthetische mens tegenover de kracht van de natuur.
Lees verder

YOLANDA ENTIUS Het kabinet van de familie Staal

JAN FABRE Nachtboek 1978 – 1984

ESTHER GERRITSEN Dorst

ARNON GRUNBERG De man zonder ziekte

KEES ‘T HART Hotel Vertigo

MARJOLEIN VAN HEEMSTRA De laatste Aedema

DAAN HEERMA VAN VOSS De vergeting

JOKE HERMSEN Blindgangers

PHILIP HUFF Niemand in de stad

OEK DE JONG Pier en oceaan

ATTE JONGSTRA Kristalman

MENSJE VAN KEULEN Liefde heeft geen hersens

JANNETJE KOELEWIJN De hemel bestaat niet. Over het leven van mijn ouders

TED VAN LIESHOUT Mijn meneer is de controversiële eerste roman voor volwassenen van Ted van Lieshout. Lees de recensie op  http://www.athenaeum.nl/recensies/ted-van-lieshout-mijn-meneer

TESSA DE LOO Verraad me niet

MARGRIET DE MOOR Melodie d’amour

HANS MÜNSTERMANN Hou me vast

CONNIE PALMEN Logboek van een onbarmhartig jaar

ELVIS PEETERS Dinsdag

JAN SIEBELINK Oscar

PHILIP SNIJDER Het geschenk

ERIK VLAMINCK Brandlucht

CHRISTIAAN WEIJTS Euforie

GERARD VAN WESTERLOO Voetreiziger

TOMMY WIERINGA Dit zijn de namen

LEON DE WINTER VSV

PETER ZANTINGH Een uur en achttien minuten

JOOST ZWAGERMAN Alles is gekleurd

Geplaatst in Nieuws, Publicaties en interviews, Recensies | Reacties uitgeschakeld voor Recensies van Nederlandse literatuur

Een huid van parelmoer

ALS JE ZIEK BENT GEWEEST, ook na een weekje griep of na een ziekenhuisopname, dan kan er iets veranderen in je zintuigelijke waarneming waardoor je huid extra gevoelig lijkt. Soms lijkt het zelfs alsof je vervellen gaat, en soms is het ook alsof je smaak net zo gevoelig wordt als je onbeschermde huid. Een tomaat heeft ineens iets bitters, en heel kouds, in je overgevoelige mond. Een rijstkorrel voelt scherp als een steentje.
Een prachtig verhaal van Mercè Rodoreda, een Catalaanse schrijfster van ontroerende vrouwenportretten, gaat over zo’n overgevoelige huid. Het is een verhaal over Jonas in de Wallevis (die vannacht gevangen is, zing je er automatisch in je hoofd achteraan). Een jonge visser is opgeslokt door een walvis. Tot zijn verbazing blijft hij in leven in de maag van het dier. Hij probeert te ontsnappen en door de baleinen in de bek van de walvis naar buiten te zwemmen, maar dat is tevergeefs. Hij verzet zich tegen zijn gevangenschap, zwemt tegen de slokbewegingen van het gigantische dier in, vecht tegen zijn lot. Het helpt niet. Pas als hij zich ‘overgeeft’ en meegaat met de etenstijden en de stroom van de walvis, vindt hij weer een levensritme. Jarenlang leeft hij zo zijn leven. En dan wordt hij toch ineens uitgespoten en spoelt aan op een strand. De mensen in het vissersdorp die hem vinden noemen hem ‘de mossel’ omdat hij door zijn verblijf in de walvis helemaal bedekt is met een extra huid van parelmoer. Hij glanst.
De nonnen in het dorp willen hem helpen door met een hamertje zachtjes de parelmoerlaag van hem af te bikken. De pijn is verschrikkelijk, zijn hele huid is onherstelbaar overgevoelig. Hoewel er wat van de glans achterblijft, kan hij uiteindelijk toch weer door het leven als mens in plaats van schaaldier. Om dan tot de ontdekking te komen dat niemand hem verder helpen wil om weer een plek in te nemen in de maatschappij. En dat hij misschien wel beter af was in zijn walvis, ‘mijn Cristina’, zoals hij haar liefdevol noemt.
Als je eenmaal een huid van parelmoer hebt, ben en blijf je de mossel van het dorp.
Wat de jonge visser meemaakte is een archetypisch verhaal over crisis en verandering; een modern sprookje. Bij Grimm of Anderson moeten de helden ook altijd ergens doorheen, door een donkere grot, over zeven hoge bergen, of door een periode van armoede en honger. Ik ken een huisdokter die eigenaardig advies heeft bij een burn-out: alleen nog maar kinderboeken lezen. Hij raadt in zulke gevallen Brief aan de koning aan! Een sprookjesverhaal over een opdracht, de ontberingen die daaruit volgen, en uiteindelijk: de oplossing, de katharsis. Dat is het medicijn: de belofte dat je uiteindelijk uit de walvis komt, en je leven opnieuw op kunt bouwen. Met een restje parelmoer op onvermoede plekken, om je te herinneren aan je overgevoeligheid.

Maria Vlaar

Geplaatst in Columns, Publicaties en interviews | Reacties uitgeschakeld voor Een huid van parelmoer