Libris Literatuurprijs weer niet naar een vrouw

Cliënt E. Busken van Jeroen Brouwers is een geweldig boek. Geestig, meeslepend, irritant, erudiet, ontroerend, ontluisterend. Brouwers is een terechte winnaar van de Libris Literatuurprijs en de prijs is hem van harte gegund. Maar het zit me dwars dat er wéér niet voor een vrouw gekozen is, nadat in de afgelopen jaren Manon Uphoff en Esther Gerritsen al gepasseerd waren. In 29 jaar ging de prijs slechts drie keer naar een vrouw. Hieronder mijn overzichtsartikel in De Standaard van afgelopen zaterdag over wie er waarom de Libris Literatuurprijs 2021 had moeten winnen.

Zaterdag 8 mei in De Standaard der Letteren

WIE GAAT DE LIBRISPRIJS 2021 IN DE WACHT SLEPEN?

Zes romans, waarvan vijf over gevangenschap en vier van jonge auteurs, zijn genomineerd voor de Libris Literatuurprijs 2021 die maandag 10 mei wordt uitgereikt. Maria Vlaar duidt de jurykeuze en kiest een winnaar.

tekening Celine Poppe

‘Er kleeft verdriet in me, als drabbige stroop, de hele dag al, eigenlijk al jaren, eigenlijk al sedert mijn conceptie,’ bekent E. Busken in Jeroen Brouwers’ Cliënt E. Busken. Busken lijdt aan Parkinson, zit in een rolstoel, is opgenomen in een inrichting en volgens zijn verplegers niet meer bij zinnen. Letterlijk, want hij zegt niets meer, sinds hij erachter kwam dat er toch niet wordt geluisterd. Maar vanbinnen woelt alles nog: zijn verloren liefdes, zijn verleden, zijn intellect en vooral de verbittering over zijn leven. De instelling waar hij woont is als een gevangenis, maar zijn eigen hoofd is dat óók. Hij probeert te ontsnappen door zichzelf steeds een andere professie toe te dichten, van dirigent tot hersenchirurg, van meteoroloog tot mysticus, terwijl zijn verzorgers zeggen dat hij in de postkamer van defensie werkte. Maar wij lezers weten wel beter: Busken is natuurlijk schrijver, net als Brouwers, en zijn gevangenschap raakt de kern van Brouwers’ gehele schrijverschap. Van het Jappenkamp Tjideng tijdens de Tweede Wereldoorlog in Bezonken rood (1981) tot het besloten kloosterinternaat in Het hout (2014) is de mensheid in Brouwers’ universum een gevangenis, waarin een kind niet onbeschadigd op kan groeien. En nu Busken, geobsedeerd door vier-letter-woorden als doof, stom, mens, rook, de dood voelt naderen, is het tijd die verafschuwde gevangenis voor eens en altijd vast te leggen. Busken is al bijna ‘een persoon van marmer’ – denk aan een praalgraf in een kerk. Brouwers geselt de lezer met zijn zwartgalligheid, maar zijn scherpe pen is ook uiterst geestig, bijvoorbeeld als hij de arme medebewoonster Mieneke Kalckbrander beschrijft, van beroep handactrice. Genade kent hij niet voor anderen en niet voor zichzelf. Het is niet gewrocht om in deze roman Brouwers’ zwanenzang te zien – hij citeert ‘Im Abendrot’ uit de Vier letzte Lieder die Strauss net voor zijn dood componeerde – hoewel we natuurlijk hopen dat er nog veel moois uit Lanaken komt.

De jury van de Librisprijs 2021 lijkt op het eerste gezicht zes heel verschillende romans te hebben genomineerd, alsof de smaken uiteenliepen. Twee heren met een indrukwekkend oeuvre en diametrale opvattingen over literatuur: Jeroen Brouwers (81) en Erwin Mortier (55). Twee jonge schrijvers over de uitwassen van het idealisme: Gerda Blees (36) en Merijn de Boer (38). En twee nóg jongere romanciers die óók dichter zijn en bovenop de tijdgeest zitten: debutante Simone Atangana Bekono (30) en Marieke Lucas Rijneveld (30), wier debuutroman De avond is ongemak de hoogste eer kreeg door de International Booker Prize te winnen.
In de 28 jaar dat de Librisprijs bestaat werd de shortlist gedomineerd door mannen, slechts drie keer ging de prijs naar een vrouw: Frida Vogels in 1994, D. Hooijer in 2008 en Connie Palmen in 2016. Ondanks alle goede voornemens werden de afgelopen jaren Manon Uphoff met haar veelgeprezen Vallen is als vliegen en de al vier keer genomineerde Esther Gerritsen gepasseerd, en won wéér een man. Dit keer is de shortlist fifty-fifty, met de kanttekening dat Rijneveld schemert tussen man en vrouw, wat ook geldt voor de puber in Mijn lieve gunsteling.

Sterk als een vent
In de wereld van Brouwers zijn vrouwen moeder, godin of seksueel wezen en de genderneutraal geklede verzorgsters in het tehuis van Busken dus ‘man’. Ook in De onbevlekte van Erwin Mortier, door het onterecht ontbreken van Wildevrouw van Jeroen Olyslaegers de enige Vlaamse schrijver op de shortlist, heeft de vrouw een welomschreven rol: moeder Maria óf het sterke geslacht. Andrea, wat ‘sterk als een vent’ betekent, is de hoofdpersoon in Mortiers wonderschone spiegelpaleisje waarin vier generaties in miniatuur het oorlogsverleden van België reflecteren. De eerste generatie is getekend door de Eerste Wereldoorlog, waar Mortier eerder het prachtige tweeluik Godenslaap en De spiegelingen over schreef. De tweede generatie bevat gitzwarte nazi-aanhangers, onder wie Marcel, die zich aansluit bij de Zwarte Brigade en in de Tweede Wereldoorlog sneuvelt aan het Oostfront. Zijn zus Andrea blijft haar hele leven als een gevangene naar zijn terugkomst verlangen. Haar kleinzoon krijgt dezelfde voornaam als zijn mysterieuze oudoom, en deelt waarschijnlijk ook diens homoseksualiteit. Hij wordt schrijver – in wie we Erwin Mortier herkennen, die in 1999 debuteerde met de novelle Marcel, waarmee De onbevlekte een tweeluik vormt. Mortier maakt met een nieuw perspectief en nieuwe brieven het verhaal van de gebeurtenissen in 1943 uit zijn debuut rond.
Mortiers werk ademt melancholie. De familieleden zijn droomfiguren die gezamenlijk een groot geheim bewaren, de schrijver legt als een fotograaf juist de kleine fragmenten vast. Bijvoorbeeld als hij de overgrootmoeder beschrijft: ‘Alles waarin ze haar handen neerliet droeg maagdelijkheid in zich. Melk, room, brooddeeg, of het linnen in de wasteil en het zeepsop waaruit hij, de langverwachte, in mijn dromen oplost en waaruit hij weer opwelt, op zoek naar mijn buik, mijn botten, alsof ik hem uit mijn gebeente zou kunnen herscheppen.’ Heel fraai, maar het hoogtepunt van Mortiers bijzondere oeuvre is De onbevlekte niet.

Goede doelen
Merijn de Boer en Gerda Blees zijn geboren in de idealistische jaren ’80 en dat is te zien in hun genomineerde romans. De Saamhorigheidsgroep van De Boer gaat over een groepje wereldverbeteraars rondom Haarlem. Er is een grappige foto in omloop van de schrijver als baby met een zelfgebreid truitje met daarop het beroemde mannetje van Opland dat tegen een kruisraket schopt: hét icoon van de anti-kernwapen-demonstraties. De Saamhorigheidsgroep staat tien procent van het verdiende geld af aan goede doelen als een naaiatelier in Joegoslavië of een weeshuis in Liberia. De leden recreëren gezamenlijk, liefst naakt, en iedere sessie begint met een knuffelronde. Ze houden elkaar voortdurend in de gaten: zijn ze wel zuiver op de graat? Diplomaat Bernhard in ieder geval niet, want hij heeft een auto die hij stiekem verstopt om de hoek van het huis waar ze bijeenkomen, en is heimelijk maar vurig verliefd op Liza, die zich in eerste instantie alleen door hem wil laten bevruchten omdat dat niet lukt met haar man. De roman is als een komedie waar steeds een ander stel het toneel betreedt, en de kleine verwikkelingen – vooral overspel, veel overspel – leiden al snel af van de idealistische doelstelling van de groep. De Boer, die als partner van een diplomate de laatste jaren in New York en Jeruzalem woonde, duikelt grappige details op als blokjes kaas met zilverui, de blokfluit, ukelele en tamboerijn, volksdansen en de droogbloem (ook te gebruiken als boekenlegger). Zijn stijl is soms wat oubollig, de psychologie dun, en de opbouw in vier delen met verschillende jaartallen onevenwichtig. Het deel in Jeruzalem haalt zelfs de geloofwaardigheid van de rest onderuit, waardoor het boek eerder vermakelijk dan onvergetelijk is.

Leven van licht
Dat is anders bij Gerda Blees, die in Wij zijn licht een huiveringwekkend verhaal in een ingewikkelde maar kristalheldere vorm heeft gegoten. Zij vertelt over een tragisch sterfgeval in de woongroep Klank & Liefde vanuit maar liefst vijfentwintig verschillende perspectieven. Sommige realistisch: de ouders, de buren, de raadsvrouw. Andere plastisch: geitenwollen sokken, twee sigaretten, een cello. En nog andere abstract: de twijfel, weerstand, licht. Alle hoofdstukjes tezamen zetten de lezer onopvallend aan het werk om de familieopstelling te maken en het drama te ontdekken. Elizabeth is in de ban van haar zus Melodie, de dominante leidster van een woongroep die voedsel overbodig heeft verklaard. Ze leven van licht, van de klank van hun gezangen en van de liefde die ze voor elkaar voelen. Onder de zalvende new-age taal die Melodie bezigt zit een hevige strijd verborgen over wie het voor het zeggen heeft over haar demente moeder. Melodie bepaalt niet alleen voor zichzelf – ze heeft een geschiedenis van anorexia – maar ook voor de overige drie onderdanige woongroepleden wat er gegeten wordt. Zelfs na de dood van Elizabeth, het politie-onderzoek en de vrijlating uit hechtenis, lijkt ontsnappen uit haar klauwen niet mogelijk. Net als De Boer heeft Blees zich gebaseerd op een echt bestaande groep, Contact & Muziek, en zelfs op nieuwsberichten en websites. Wij zijn licht is een ontzettend knap boek, dat terecht de Nederlandse Boekhandelsprijs won.

Racisme
Confrontaties van Simone Atangana Bekono is een aanklacht tegen racisme in onze maatschappij en daarmee een uiterst actuele roman. Het zit vol pijnlijke scènes, van een dorpslerares die de half-Kameroense Salomé ‘zwarte piet’ noemt, tot de deelnemer aan een tenenkrommend tv-programma waarin westerlingen tijdelijk in de jungle wonen; uitgerekend hij, in het dagelijks leven therapeut in een jeugdgevangenis, moet Salomé op het juiste pad brengen. ‘Ik heb juist groot respect voor jouw cultuur,’ zegt hij tegen zijn zestienjarige zwarte cliënte. ‘Welke cultuur?’ is de tegenvraag van de gymnasiaste die Albert Camus, W.F. Hermans en de Griekse tragedies als referentiepunten heeft.
Confrontaties drukt niet alleen op de pijnlijke plekken van structureel racisme, maar geeft ook een ontluisterend beeld van een jeugddetentiecentrum. Salomé is slachtoffer van ernstig pestgedrag en slaat op een onbeheerst moment terug, waardoor ze in de gevangenis belandt. Daar draait alles om gehoorzaamheid. Dagritme en therapie zijn verplicht. Als de leiders het nodig vinden wordt verzet fysiek gebroken. Bekono heeft de stem van Salomé, haar intelligentie, onverzettelijkheid, pijn, verlangen, woede en schuldgevoel over wat ze heeft aangericht, overtuigend getroffen. Literair gezien steekt de roman vernuftig in elkaar. Wat een belangrijk boek en wat een sterk debuut!

Het activistische realisme van Bekono is moeilijk te vergelijken met de postmoderne kaleidoscoop van Blees en de grollen van Merijn de Boer. Waar is het de jury om te doen geweest? In vijf van de zes romans is een constante te vinden: een serieuze woede over hoe de maatschappij de mens beklemt, vernedert, zelfs doodt. Bij Brouwers, Blees, Bekono en Rijneveld zit letterlijk iemand gevangen. Als dat de voornaamste focus van de jury is geweest, is het boek van De Boer kansloos om de prijs te winnen. Qua schrijfstijl is deze shortlist voor elk wat wils, en dat schetst het dilemma van de jury: hoe vergelijk je een Rogier van der Weijden met een Rubens? Hoe fraai Mortiers fijngeschilderde tafereel ook is, hoe knap Blees en Bekono hun boeken hebben gecomponeerd, stilistisch zijn er twee bovenbazen: Jeroen Brouwers en Marieke Lucas Rijneveld, die beiden een zinderende, obsessieve woordenstroom op papier smeten. Brouwers’ meneer Busken is een superieure mopperaar, en de tachtigjarige schrijver een meester in de ironie, maar Rijneveld, dertig en toch al zo bedreven en belezen, blaast de lezer van de sokken met paginalange, meanderende zinnen vol associaties, waanzin, erotiek en stilistisch vuurwerk.

Vuur van mijn lendenen
Lolita, licht van mijn leven, vuur van mijn lendenen. Zo begint Nabokovs beroemde en omstreden roman uit 1955 waarin pedofiel Humbert Humbert aan de rechtbank vertelt over zijn liefde voor het kindmeisje Lolita. Marieke Lucas Rijneveld volgt in Mijn lieve gunsteling het spoor: veearts Kurt schrijft het relaas van de liefde voor zijn ‘gunsteling’, het ‘vuur van mijn lendenen’, een veertienjarige boerendochter die schemert tussen kind en vrouw, tussen meisje en jongen, in de gevangenis, waar hij spreekt tot ‘de magistraten’ die hem moeten berechten. Het is de zomer van 2005 als hij zijn oog laat vallen op het kwetsbare en hyperintelligente meisje dat eerst haar broer verloren heeft aan een auto-ongeluk en vervolgens door haar moeder verlaten is. De ‘verlorene’ en de ‘verlatene’ dolen over de pagina’s als open wonden, en het meisje wentelt zichzelf in ongerijmde schuldgevoelens. De man wéét vanaf het begin dat hij fout zit, en toch kweekt Rijneveld ook mededogen met de dader, door hem op zijn beurt een verleden te geven waarin hij werd misbruikt.
Lolita werd door bijvoorbeeld Rudy Kousbroek onthaald als een ‘kunstwerk zonder weerga in de wereldliteratuur’, juist omdat het boek een ‘afwijzing van het gewone’ is; over het lot van het meisje werd gezwegen. Rijneveld toont de andere kant van de medaille, niet door het perspectief van het kind te kiezen, maar door net als Nabokov de misbruiker het verhaal te laten vertellen, en tóch daardoorheen een schokkend portret op te roepen van het beschadigde kind als gewond vogeltje. Noemden lezers van Lolita het meisje nog een verleidster en het misbruik liefde, Rijneveld schudt de lezer van nu wakker. Ik moest het boek af en toe wegleggen omdat ik er misselijk van werd, zo goed is het, om het dan weer op te pakken en mij weer onder te dompelen. Net als Lolita is Mijn lieve gunsteling een ‘groteske’, in de woorden van Kousbroek, en niet voor niets leest de veearts Gerard Reve voor. De ongebreidelde fantasie van het meisje en de stortvloed van kinderlijke details als Bert en Ernie, snoepgoed en Roald Dahl zijn aanstekelijk. Maar intussen gaat Rijnevelds unieke stem door merg en been en sterft de lach op je gezicht. De Librisprijsjury kan zichzelf niet serieus nemen als Rijneveld de prijs zou ontgaan.

Geplaatst in Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor Libris Literatuurprijs weer niet naar een vrouw

Doe mee met De Leesclub XL

Linnaeus Boekhandel presenteert in samenwerking met Maria Vlaar:
De Leesclub XL

libris portretten 2
In drie online bijeenkomsten bespreekt schrijver, recensent én
buurtgenoot Maria Vlaar de zes genomineerden voor de
Libris Literatuurprijs 2021. Na een korte inleiding zal zij in
gesprek gaan met u, de lezer!
Op de volgende data bespreken we de volgende titels:

Donderdag 8 april, 19.30 uur:
Cliënt E. Busken van Jeroen Brouwers
en
De onbevlekte van Erwin Mortier

Donderdag 22 april, 19.30 uur:
De saamhorigheidsgroep van Merijn de Boer
en
Wij zijn licht van Gerda Blees

Donderdag 6 mei, 19.30 uur:
Mijn lieve gunsteling van Marieke Lucas Rijneveld
en
Confrontaties van Simone Atangana Bekono

De bijeenkomsten zijn online, via Zoom, en zijn geschikt voor elk niveau. De boeken vooraf lezen is een pré, maar geen must. Bent u halverwege Brouwers blijven steken? Las u De saamhorigheidsgroep in één adem uit? Heeft u een onbedwingbare behoefte om over Mijn lieve gunsteling na te praten? Dit is uw kans!
Onder deskundige leiding van Maria Vlaar worden de overkoepelende thema’s uitgediept en komen uw leeservaringen zeker aan bod.
U kunt zich per keer opgeven, of vooraf direct reserveren voor alle drie de bijeenkomsten. Deelname is gratis. Aanmelden kan op info@linnaeusboekhandel.nl of telefonisch (020-4687192). Ziet u op tegen de digitale vorm? Neem dan vooraf contact met ons op en we loodsen u erdoorheen.

linnaeus-current-logo
Voorspel de winnaar! Weet u al wie de winnaar is? Of heeft u al een favoriet? Laat het ons weten! Onder de juiste voorspellers verloten we een Boekenbon van €25,-. De inzendtermijn loopt tot en met 8 mei.
LinkedIn Maria Vlaar (Blokker, 1964) is literair recensent en interviewer voor de Vlaamse krant De Standaard, biograaf van Joost Zwagerman en schrijver van korte verhalen. Zij woont in de Amsterdamse Watergraafsmeer en werkt vanaf 1990 in de literaire wereld, onder andere als redacteur bij uitgeverij De Bezige Bij en als freelance redacteur en recensent, onder meer voor De Groene Amsterdammer. Zij was jurylid van onder meer de P.C.Hooftprijs en de Prijs der Nederlandse Letteren. Haar verhalenbundel Diepe aarde (De Arbeiderspers) werd in februari 2019 bekroond met de J.M.A. Biesheuvelprijs voor de beste korteverhalenbundel van 2018.
Geplaatst in Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor Doe mee met De Leesclub XL

Een arrogant virusdeeltje

Voor het literaire tijdschrift Terras schreef ik het verhaal ‘Zonder gastheer’ waarin ik een oude man portretteer, op zoek naar een sigaret, terwijl een arrogant virusdeeltje op de loer ligt. Zie https://tijdschriftterras.nl/zonder-gastheer/

Geplaatst in Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor Een arrogant virusdeeltje

Had ik maar eerder aan de bel getrokken

Vandaag in De Standaard: Maria Vlaar over de zaak Arjan Peters

De Volkskrant-recensent Arjan Peters werd op non-actief gesteld omdat hij met schrijfsters wou lunchen alvorens hun werk te recenseren. DSL-recensente Maria Vlaar ervaart de machtsverhouding omgekeerd. ‘Mannelijke schrijvers vragen mij mijn mond te houden.’

Maria Vlaar

zaterdag 30 mei 2020 om 0.00 uur

 Floor von Dulmen Krumpelmann

Op 14 mei verscheen in de Volkskrant een necrologie over de overleden schrijfster Mischa de Vreede (85) door recensent Arjan Peters (57). Ik ergerde me omdat Peters in het stukje nauwelijks schreef over haar boeken, haar gedichten of literatuuropvatting. Het portret draaide om wat Peters kennelijk als De Vreedes grootste wapenfeit beschouwde: haar verhouding met de getrouwde uitgever Geert Lubberhuizen, de oprichter van De Bezige Bij, ‘twintig jaar ouder en een groot man uit de kunstwereld’. Peters’ bewondering voor de schalkse uitgever met de reputatie van vrouwenversierder was zichtbaar groter dan voor de schrijfster Mischa de Vreede.

Zelf werkte ik tussen 1990 en 2001 als redactrice in het mannenbolwerk De Bezige Bij. Voor een jonge vrouw waren er in die uitgeverij twee overlevingsstrategieën: óf naar bed gaan met een van de invloedrijke uitgevers of schrijvers, óf meedoen met de mannen. Ik deed mee met de mannen. Niet door op mijn beurt kwetsbare vrouwen te versieren, want ik val op mannen en trouwde met redacteur (en later schrijver en recensent) Erik Menkveld, maar door niet op te komen voor vrouwen die wél voor de bijl gingen. Vrouwen als Mischa de Vreede, op wie lacherig werd neergekeken tijdens borrels waar mannelijke schrijvers, recensenten en redacteuren met jaloezie en bewondering spraken over een van Lubberhuizens gerenommeerde opvolgers, die met grote regelmaat affaires aanging met verse redactrices.

Waarom lachte ik mee in plaats van deze vrouwen in bescherming te nemen? Ik kan drie redenen bedenken: het gebeurde heimelijk en met wederzijdse instemming, ik had geen (vrouwelijke) medestanders met wie ik erover kon praten, en de voornaamste reden: ik wilde niet truttig zijn. In mijn jeugd was ik zoals veel generatiegenoten punk: wij bestreden de burgerlijkheid met geweld. De vrouwen die ik nu, vijfentwintig jaar later, als slachtoffer beschouw, vond ik toen zwak. In een volgende werkkring keek ik opnieuw neer op de vrouwelijke collega die een affaire met de getrouwde baas aanging. Hij gaf mij opdracht haar aan te spreken op haar opdringerigheid. Dat ik dat deed beschouw ik nu als een gebrek aan solidariteit.

Een andere vroegere collega schreef mij laatst dat zij zich als ‘niet-vrouw’ had gedragen om zo het spel niet mee te hoeven spelen. Dat geldt niet voor mij, ik heb flirten tijdens het werk altijd leuk gevonden en onderhuidse spanning als creatieve impuls geïnterpreteerd. Om flirten gaat het echter niet in de kwestie-Peters. Het gaat om machtsmisbruik, zoals alle #metoo-zaken in de kern niet om seks maar om machtsmisbruik gaan.

Pikorde
De boekenwereld is, net als het bankwezen of de politie, van oudsher een piramidemodel. Jarenlang werd in de Haagse Post ‘De Literaire Pikorde’ met de 40 invloedrijksten in het vak gepubliceerd. Het woord komt uit het kippenhok, maar in de praktijk telde de pik. Pas de laatste jaren dringen vrouwen zich tussen de mannelijke uitgevers en bobo’s. Schrijvers doken er zelden in op. Toch proberen ook zij hun macht uit te oefenen: Harry Mulisch heeft De Bezige Bij eens opgedragen een collega die negatief over hem publiceerde buiten de deur te zetten. De uitgever weigerde, beide schrijvers bleven. De macht van de recensent is niet wezenlijk groter dan die van de uitgever of schrijver.

Het beeld van de recensent die met een positieve of juist negatieve recensie het succes van een boek kan maken of breken, en dus gepaaid moet worden, is aan herziening toe. In mijn eigen praktijk als recensent, eerst voor De Groene Amsterdammer en sinds acht jaar voor De Standaard der Letteren, ken ik de andere kant van de medaille. Ik heb een klein stapeltje e-mails van mannelijke schrijvers die zichzelf nogal geweldig vinden en van mij twee of drie sterren krijgen, waarna ze mij proberen te intimideren. Ik zou niet goed kunnen lezen, ik zou het niet begrijpen, mijn intellectuele vermogens zouden onvoldoende zijn om hun geniale invallen op waarde te schatten. Het is voor een vrouwelijke recensent dus omgekeerd. Peters vraagt jonge vrouwen om hem stroop om de mond te smeren, knorrige mannen vragen mij mijn mond te houden. Kortom: de kwestie-Peters gaat niet over de machtspositie van de recensent, maar over de macht die een man denkt uit te oefenen op een vrouw. Een echo van vóór #metoo.

Solidariteit
Lize Spit schrijft op Facebook dat een recensie ‘neutraal’ moet zijn. Maar een recensent wordt geacht duizenden boeken te hebben gelezen, intellectueel overwicht te hebben, te weten hoe de hazen lopen in de boekenwereld en die kennis om te zetten in brood op de plank. Een redacteur in vaste dienst kan prima rondkomen, terwijl een freelancer andere opdrachtgevers nodig heeft: uitgevers en literaire festivals. Die freelance recensent moet dus heel sterk in haar schoenen staan. Met het containerbegrip ‘neutraliteit’ valt niet goed te werken, met ‘overwicht’ wel. Je kunt niet eisen van een recensent dat hij neutraal is, maar wel dat hij integer is en zijn vermeende machtspositie nooit misbruikt.

Spit schrijft dat enkele schrijfsters het hypocriet vonden om elkaar voor Peters’ gedrag te waarschuwen, zonder maatregelen tegen dat gedrag te eisen. Hier zien we de onderlinge solidariteit van de vrouwelijke dertigers. Ik bewonder ze. Was ik maar minder hypocriet geweest. Had ik maar eerder aan de bel getrokken. Wel is er grote kans dat ik dan postbesteller zou zijn geworden in plaats van recensent. Ik ken een paar mannelijke schrijvers die dat graag hadden gezien. 

Maria Vlaar is recensente van De Standaard der Letteren. Ze publiceerde onlangs een verhalenbundel (Diepe aarde) en werkt momenteel aan de biografie van Joost Zwagerman.

Geplaatst in Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor Had ik maar eerder aan de bel getrokken

Auteurs in de kou – interview in De Volkskrant

vlaar-maria-5488zww-titia-hahneDe Volkskrant interviewde mij als voorzitter van de Auteursbond over de gevolgen van de coronacrisis voor de schrijvers en vertalers. Zie https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/een-steunfonds-voor-schrijvers-is-onontbeerlijk-laat-makers-van-boeken-niet-failliet-gaan~b03b4839/

 

 

Geplaatst in Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor Auteurs in de kou – interview in De Volkskrant

Huiselijkheid – over Rachel Cusk en Daniel Mendelsohn

De Standaard – vrijdag 20 maart 2020 – Boeken – Essays  

Huiselijkheid
De ene essayist is de andere niet: Daniel Mendelsohn essayeert over zijn Odysseus, Rachel Cusk over haar bankstel.

 Door Maria Vlaar

Het is ochtend, je wordt wakker met lichte hoofdpijn, je kind heeft haar poepluier zelf uitgedaan en staat triomfantelijk in haar bevuilde bedje, het brood in de kast is beschimmeld, de koffie is op en de wasmand puilt uit. Gewone huiselijkheid die, nu men verplicht thuis moet blijven, voor velen plotseling een groter deel van de werkelijkheid is dan ooit. Denkt u als u deze scène in een roman zou lezen, aan een vrouw of aan een man? Mijn eerste gedachte is aan een vrouw. Iedereen, lezer en schrijver, is immers geconditioneerd om in termen van ‘vrouwelijkheid’ en ‘mannelijkheid’ te denken, ook al zijn we geëmancipeerd en gelijk. In de literatuur is de dagelijksheid zoals ik die hierboven beschrijf, net als de terreinen ‘emoties’ en ‘huishouden’, van oudsher het domein van vrouwenliteratuur.

Daniel Mendelsohn (59), gevierd recensent van The New York Review of Books, essayeert in zijn nieuwe bundel Pijn en genot dat speciaal voor de Nederlandstalige markt is samengesteld, nadrukkelijk over vrouwenliteratuur. Hij heeft een compleet andere kijk dan de Engelse romancier Rachel Cusk (53), die in haar bundel Coventry schrijft over onder andere autorijden over de kleine landweggetjes rond het huis in Zuid-Engeland waar zij met haar gezin woont. Ze filosofeert achter het stuur over waarom mensen te hard rijden en of kinderen nog wel veilig buiten kunnen spelen. Maar net zo persoonlijk schrijft ze over de moeizame relatie met haar ouders, de ‘worsteling van de hedendaagse vrouw op weg naar persoonlijke vrijheid’, en over de ongemakkelijkheid die je kan overvallen als je kleren past in een pashokje. Als ze na een verbouwing haar huis opnieuw heeft ingericht, schrijft ze over haar angst voor visite op het nieuwe bankstel: ‘alsof ik iedere kras en veeg en vlek direct op mijn blote huid kon voelen’.

Rommelige slaapkamer

Al meer dan tachtig jaar geleden beweerde Virginia Woolf in Een kamer voor jezelf dat de vrouwelijke schrijver die zich tot haar vrouwelijke werkelijkheid beperkt vaak op kritiek kan rekenen, aldus Cusk in een essay over Woolf. Pijn en genot van Daniel Mendelsohn lijkt daar het levende bewijs van. Mendelsohn schrijft erudiet en interessant, zoals het openingsstuk waarin hogere literatuur (Homerus) en populaire cultuur over robots (de film Her) worden besproken en hij als geschoold classicus lange lijnen trekt tussen Griekse heldenepen en de moderne cultuur. Net als Rachel Cusk schrijft hij over Virginia Woolf en haar pleidooi voor ‘authentieke vrouwenliteratuur’. Maar zonder zich daar openlijk van bewust te zijn, haalt hij in zijn essays hard uit naar culturele uitingen van vrouwen, die hem te weinig herkenning en heldendom opleveren.

Bijvoorbeeld naar Sofia Coppola, regisseur van de vaak filosofisch geduide film Lost in translation. Met Marie Antoinette maakte ze een film over ‘levenslustige jonge vrouwen die tegen sociale beperkingen aanlopen’ en ‘het innerlijke leven van een koningin […] die niets meer was dan een gewone vrouw’, aldus Mendelsohn. Hij vindt dat het Coppola ontbreekt aan reflectie op de geschiedenis, noemt haar oppervlakkig en ‘intellectueel gesproken schokkend naïef’ en eindigt zijn bespreking met de sneer dat Coppola’s ‘ergste nachtmerrie bestaat uit een rommelige slaapkamer’. Het maakt mij alleen maar nieuwsgierig naar hoe Cusks vrouwelijke blik op Coppola’s gefilmde slaapkamer zou zijn. In Mendelsohns essay over Oscar Wilde gaat het opnieuw over oppervlakkigheid en esthetiek, maar nu bespeurt hij juist wél een serieuze intellectuele onderlaag. Mendelsohn laakt in een bespreking van Een klein leven van Hanya Yanagihara ‘de visie van deze vrouwelijke schrijver op mannenvriendschap’; een van de vele kritische noten die hij kraakt, luidt dat de homoseksuele personages en liefdesrelaties in het boek niet ‘herkenbaar’ zijn. [tekst loopt verder onder illustratie]

Roger-Raveel-Vrouw-met-revolver (Roger Raveel)

Onder de kritische lat

Bij nagenoeg iedere creatieve uiting van een door Virginia Woolf geagendeerde ‘authentieke’ vrouwenstem duwt hij het product onder zijn kritische lat. Mendelsohn is idolaat van de Odyssee, de heroïsche zwerftocht van de held Odysseus na afloop van de Trojaanse oorlog. Hij bewondert literatuur en films als hij er de oude mythen en tragedies in herkent. Niet voor niets heet de bestseller waarin hij met zijn vader een reis over de Middellandse Zee maakt, Een odyssee.

Terwijl Mendelsohn als het om vrouwelijke schrijvers gaat een sterke voorkeur voor lesbiennes aan de dag legt – hij heeft meer of minder bewondering voor Sappho, Susan Sontag, Mary Renault – lijkt hij tegelijk niet te begrijpen dat er ook vrouwen zijn die de ‘vrouwelijke beleving’ van de werkelijkheid afwijzen. Susan Sontag, bijvoorbeeld, had een hekel aan haar lichaam en worstelde met haar (homo)seksualiteit. Mendelsohn schrijft bestraffend dat haar ‘culturele gretigheid en literaire ambitie uiteindelijk de zachtere emoties hebben afgesloten, niet op de laatste plaats haar moedergevoelens’. Sontag zocht ‘grootsheid’ in de literatuur en vond die uitsluitend in het domein van mannen; ze bewierookte ‘een lange lijst Europese (bij voorkeur middelbare) mannen’, zoals Sebald en Brodsky. Bovendien had Sontag een ‘koele, beoordelende blik’ die haar ongeschikt maakt als romanschrijver, vindt Mendelsohn. Geen moment vindt hij het aanmatigend om een vrouwelijke schrijver af te rekenen op te weinig vrouwelijkheid en ongewild illustreert hij wat Cusk zegt: ‘In de poging deelgenoot te worden van de mannelijke literaire cultuur verliest de vrouwelijke schrijver haar integriteit – en haar kans op grootsheid.’ Wilde Sontag met de jongens meespelen? Mendelsohn sluit alsnog het hek voor haar neus.

Oneindig obscure levens

In het werk van Knausgård, die in zijn romanserie Mijn strijd expliciet de huiselijkheid van een kinderrijk gezin en de strubbelingen van een gewoon huwelijk tot literatuur weet te verheffen, en daarmee doet wat Woolf propageerde, namelijk het optekenen van ‘al die oneindig obscure levens’, ziet Mendelsohn ook al niet veel. Hij prijst wel Knausgårds tachtig pagina’s tellende essay over Hitler, maar de uitgesponnen verhalen over de ‘rijke onbeduidendheid van onze dagelijkse ervaringen’ laten hem volkomen koud; hij herkent er niets in.

De term ‘feminisme’ gebruikt Mendelsohn in Pijn en genot te pas en te onpas. Zo vindt hij de film Titanic feministisch, omdat Rose een ‘getroebleerde jongedame is die ruw behandeld wordt door een man’ en uiteindelijk zichzelf redt, en ook de tv-serie van A song of ice and fire van George Martin, ‘op het eerste gezicht een door testosteron gedreven melodramatische avonturenroman’ blijkt ondanks het volgens hem ‘onnozele’ acteerwerk van de vrouwelijke hoofdpersonen ‘een opmerkelijk feministisch heldendicht’. Naast de roodharige schoonheid die zo mooi borduurt en voorbestemd is met een koning te trouwen, is er namelijk ook nog ‘de oerlelijke jongste dochter’, die graag het zwaard hanteert en niet trouwen wil, en een vrouwelijk personage dat onvruchtbaar is en aldus ‘het biologische moederschap vervangt door een politieke loopbaan’. Net zo is Mendelsohn van mening dat Pedro Almodóvar, die furore maakte met gewelddadige films over stierenvechten en vrouwenmishandeling, zich vanaf de film Todo sobre mi madre bekeerde tot het feminisme, omdat hij vrouwen niet meer als ‘vreemdsoortige mythologische wezens, hysterica’s of vampiers’ zou neerzetten, maar als ‘wezens die enigszins in de buurt komen van echte vrouwen in het echte leven’. In de ‘nieuwe film Volver’ – het is vervelend dat dit soort opmerkingen uit zijn recensie in 2007 niet zijn weggewerkt in de boekuitgave – vormen immers ‘hardwerkende vrouwen’, ‘vrouwelijke emotionele solidariteit’ en ‘diepe emoties van tamelijk gewone mensen’ de hoofdmoot, schrijft hij bewonderend. Maar het meest geweldige van Almodóvars nieuwere films vindt Mendelsohn ‘dat het moederschap de Kunst overtroeft’.

Wereldvreemdheid

Is het feminisme, als een vrouw onvruchtbaar moet zijn om politicus te worden en als een Spaanse filmer moederschap boven de kunst stelt? Of zeggen deze gevolgtrekkingen vooral iets over Mendelsohns wereldvreemdheid? Waar Cusk vanaf de eerste pagina van haar essaybundel persoonlijk is en zij het moederschap niet idealiseert, maar náást haar schrijverschap plaatst, weet Mendelsohn het persoonlijke op afstand te houden. Tot aan het laatste essay over de historische romans van Mary Renault (1905-1985), die Mendelsohn las vanaf zijn veertiende, gaat zijn boek uitsluitend over pijn en genot van ánderen, wat Mendelsohn een schrijvende lezer maakt en Cusk een lezende schrijver. Renault, populair onder homo’s, opende hem de ogen voor de heroïsche Griekse verhalen maar vooral voor zijn eigen homoseksuele geaardheid. Ze is in zijn ogen een geweldige schrijver, maar als vrouw gemankeerd: ze is namelijk geen moeder; haar ‘innerlijke identiteit’ was eigenlijk een jongen. Mendelsohn vertelt over zijn leergierigheid en zijn pogingen een homoseksuele liefde te vinden die lijkt op een van Renaults personages. ‘Ik had het gevoel dat iets beginnen met echte mensen een vorm van verraad was.’

Daniel Mendelsohn vindt zijn heil uitsluitend in de literatuur, liefst Homerus, Proust, Joyce, grote verhalen over mannelijke helden die buitengewone levens leiden. Daarin vindt hij de herkenning die hij zoekt en die hij in ‘vrouwenliteratuur’ nooit vinden zal. In de boeken van zijn voorkeur hoeft namelijk nooit een luier verschoond te worden, en doet niemand de was. Cusk intussen rijdt peinzend over de weggetjes rond haar huis, het moment uitstellend dat ze thuiskomt met de boodschappen en het gewone leven en dagelijkse gemodder in duikt. En dan tussendoor aan de keukentafel een roman schrijft over diezelfde huiselijkheid.

Daniel Mendelsohn
Pijn en genot. Van de oude Grieken tot ‘Game of thrones’
Vertaald door Aad Janssen en Irene Paridaans, De Bezige Bij, 332 blz

Rachel Cusk
Coventry|
Vertaald door Jeske van der Velden en Caroline Meijer, De Bezige Bij, 272 blz

 

Geplaatst in Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor Huiselijkheid – over Rachel Cusk en Daniel Mendelsohn

Wolkerstuin open 6 juli

Wolkerstuin open 6 juli: met literaire lezingen.

Op zaterdag 6 juli a.s. vindt op Amstelglorie het festival Reuring in het Groen plaats. Tussen 13.00 -20.00 uur vind je overal op het park muziek, theater, workshops, en literatuur. Wees welkom! Amstelglorie is te vinden aan de Jan Vroegopsingel 7 te Amsterdam (vlakbij de Utrechtse Brug).

Dit is het programma op de Wolkerstuin:

  • 13.30: Florence Tonk leest gedichten en proza
  • 14.30: Marieke Groen leest proza
  • 15.30: Maria Vlaar leest korte verhalen
  • 16.30: Marieke Groen leest proza
  • 17.30: Florence Tonk leest gedichten en proza
  • 18.30: Maria Vlaar leest korte verhalen

Toegang is vrij, donaties worden dankbaar aanvaard. De Wolkerstuin op Amstelglorie is met de inzet van tientallen vrijwilligers van Amstelglorie omgetoverd tot een Writer-in-Residence plek. Sinds 2018 hebben al 10 gastschrijvers gelogeerd op de voormalige volkstuin van Jan en Karina Wolkers. Voor meer info zie http://www.wolkerstuin.nl

0-wolkerstuin-hoofdbeeld

Geplaatst in Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor Wolkerstuin open 6 juli

Optreden Bloemendaal 18 mei

Flyer Bloementaaltour - Zaterdag 18 mei

Geplaatst in Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor Optreden Bloemendaal 18 mei

Pleidooi voor het korte verhaal

Dat ik u bemin met ziel en zin

 

Het korte verhaal is toe aan een glorieuze herwaardering. Natuurlijk is het heerlijk om meegezogen te worden in een vuistdikke roman. Maar het genoegen om ’s avonds in bed één kort verhaal te lezen en dan in slaap te vallen met op je netvlies een fenomenaal scherp getekende hoofdpersoon op een allesbepalend ogenblik in zijn of haar leven, is niet te onderschatten.
Het korte verhaal is een vrij en verbeeldingrijk literair genre, zowel voor de lezer als voor de schrijver. Mijn verhalenbundel Diepe aarde werd recent bekroond met de Biesheuvelprijs, vernoemd naar de Nederlandse meester van het korte verhaal Maarten Biesheuvel. Wie niet weet hoe een brommer over water kan rijden, heeft een heerlijk kwartier in het verschiet bij het lezen van zijn verhaal ‘Brommer op zee’. Biesheuvels recept: oefenen, eerst door een speld plat op het water te leggen. ‘Als je dat heel voorzichtig doet, blijft hij drijven.’ En dan steeds zwaardere voorwerpen proberen: ‘Het was mij natuurlijk om mijn brommer te doen en tenslotte reed ik mijn eerste schamele rondjes op de stadsvijver.’ Licht absurdistisch zijn korte verhalen vaak; het gaat erom in kort bestek maximaal de verbeelding van de lezer te prikkelen. Dat is magisch.

Hoe werkt dat eigenlijk, die magie van korte verhalen? Wat gebeurt er in het hoofd van de schrijver en vervolgens in het hoofd van de lezer? In De Poolse bokser schrijft Eduardo Halfon dat een kort verhaal altijd twee verhalen vertelt: ‘onder een zichtbaar verhaal gaat een geheim schuil’. Een kort verhaal is zo opgebouwd dat ‘iets verborgens op een kunstmatige manier zichtbaar wordt gemaakt.’ En dat is de uitdaging die het korte verhaal aan een schrijver stelt: met weinig woorden, weinig ruimte voor omgeving, achtergrond en ontwikkeling moet hij tóch een compleet menselijk leven suggereren. Een kort verhaal, kortom, gaat om de suggestie van een heel leven, zonder dat hele leven te beschrijven; zoals een foto zich tot een speelfilm verhoudt. Jacq Vogelaar verwoordde het zo: ‘Geslaagd kort proza is geen verkleinde roman maar een wereld in het klein’.
Thomas Verbogt schrijft over Alice Munro, die in 2013 de Nobelprijs voor haar korte verhalen ontving, dat haar kracht is dat de lezer met één zin al een beeld heeft. Zo’n zin die meteen allerlei vragen oproept: wie is de hoofdpersoon, waarom denkt ze dit, wat doet ze dan en waarom? Daarnaast moet de schrijver van het korte verhaal ook ‘de techniek van het uitstellen’ beheersen; Munro’s verhalen hebben vaart maar ondertussen blijft er nog voldoende geheim. ‘Snel wordt het helder dat er iets rampzaligs is gebeurd, maar nog niet wat natuurlijk,’ aldus Verbogt.
Over de koningin van de Amerikaanse short story Lydia Davis schrijft Vogelaar dat haar beginzinnen soms zo sterk zijn dat je eigenlijk het verhaal dat volgt niet meer nodig hebt. Voorbeelden? Uit mijn eigen bundel: ‘Denk je dat papa het leuk vindt dat hij jou heeft geslagen?’ Van Lydia Davis: ‘Een vrouw werd verliefd op een man die een paar jaar dood was.’ Ook Annelies Verbeke excelleert in dit soort samengebalde zinnen waarin ze impliciet ‘vinden jullie dit ook niet?’ aan de lezer vraagt: ‘Maar er nu niet vreemd van opkijken dat er een beer in de eetkamer zit is toch onbegrijpelijk?’

In Munro’s verhalen wemelt het van die veelbetekenende zinnen. ‘Iona had een verpleegopleiding gevolgd, maar bij nader inzien had ze beter iets aan haar tanden kunnen laten doen,’ is een zeer adequate schets van Jills eenzame surrogaattante in ‘De droom van mijn moeder’. De relatie tussen Jill en de moeder uit de titel wordt haarscherp beschreven als Jill ziet hoe haar halfzusje de borst krijgt en opmerkt dat ze ‘blij was te horen dat ik nooit zulk intiem, lichamelijk verwarmd eten had gekregen’. Au…
In een ander verhaal van Munro vraagt een winkelbediende of Johanna een jurk koopt ‘voor een speciale gelegenheid’. Johanna antwoordt: ‘Waarschijnlijk zal ik erin trouwen.’ Dat ene woord ‘waarschijnlijk’ vat het hele verhaal van 53 pagina’s samen, waarmee ik bijna het geheim prijsgeef.

Hoe kort moet een kort verhaal eigenlijk zijn? Als het erom gaat, zoals hierboven beweerd, dat een geslaagd verhaal het vooral van de suggestie moet hebben, dan kan het heel kort zijn, zolang de suggestie maar een leven breed is. Zo bestaat het verhaal ‘Fillis’ lippen’ van Tonnus Oosterhoff uit slechts een titel en twee korte zinnetjes:

Fillis’ lippen
Ik ademde op de spiegel.
In de wasem verscheen de afdruk van Fillis’ lippen.

Oosterhoff suggereert hier met 14 woorden een heel onderliggend ‘tweede’ verhaal. Er is sprake van twee hoofdpersonen: de ik en Fillis. Die twee hebben een intieme relatie, want Fillis heeft de afdruk van een kus achtergelaten op de spiegel van de ik. Als je probeert het voor je te zien, doemt er meteen een badkamerspiegel op. Aha, Fillis is dus onder de douche geweest, heeft een kus op de spiegel achtergelaten en is verdwenen! Is er sprake van seks geweest? Was het voor Fillis een one-night-stand maar hoopt de ik dat zij weer opdoemt uit de wasem? Is zijn verlangen tevergeefs? Of is Fillis, gezien de kus op de spiegel, wel degelijk van plan terug te komen? De naam Fillis is veelbetekenend: het betekent ‘groen blaadje’ en is androgyn. Fillis kan dus ook een jongen zijn, en de ik kan man maar ook vrouw zijn. Zoals in het herdersspel ‘Fillis van Scirus’ van de 16e eeuwse schrijver Guidubaldo Bonarelli della Rovere: ‘Zy mist haar Filllis en met Fillis al haar lust’. En er blijkt ook een Sinterklaaslied uit 1709 te zijn waarin aan de Sint een ‘welgemaakte meid’ wordt gevraagd: ‘Dat ik u bemin, Fillis, Fillis, dat ik u bemin met ziel en zin.’ Ja, seks zal er dus wel geweest zijn voordat Fillis zijn of haar lippen op de spiegel drukte! Zo kan een kort verhaal de verbeelding van de nieuwsgierige lezer aan het werk zetten.

In een kort verhaal kijkt de schrijver als het ware door een klein gaatje naar een mensenleven. Hij kiest scherp en beschrijft niet de hele omgeving of levensloop van een mens. De schrijver moet uiterst selectief zijn, en tegelijk veel vrijheid nemen. Er kan een dier of een ding aan het woord komen; het korte verhaal is bij uitstek geschikt voor ontregeling.
Voor de lezer betekent het korte verhaal dat hij aan het werk gaat, al lezend. De lezer zal na ieder verhaal weer moeten omschakelen en zèlf gaan denken: wie was dat nu weer? en wat gebeurde er in godsnaam? Die vragen zorgen voor een nacht vol verbeelding. Lees voor het slapen gaan een kort verhaal! Ik wens de lezer lucide dromen.

Geplaatst in Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor Pleidooi voor het korte verhaal

Diepe aarde op de longlist ANV Debutantenprijs 2019

Nog maar nauwelijks bekomen van de uitreiking van de Biesheuvelprijs voor de beste korteverhalenbundel van 2018 meld ik meer goed nieuws over mijn debuutbundel: Diepe aarde staat met 11 andere titels op de longlist van de ANV Debutantenprijs 2019. Eind maart wordt de shortlist met 3 titels bekendgemaakt. Lezers kunnen zich aanmelden voor de lezersjury om de uiteindelijke winnaar te kiezen.

Geplaatst in Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor Diepe aarde op de longlist ANV Debutantenprijs 2019