Diepe aarde

logo APIn mei 2018 gaat mijn debuut verschijnen bij De Arbeiderspers: een verhalenbundel met de titel Diepe aarde. Ik ben nu bezig met de laatste fase van redactie, omslagontwerp, achterplattekst…
De verhalenbundel gaat over wat er ten diepste beweegt achter het masker van de dagelijksheid. Zo koestert een stokoude vrouw in 2049 haar herinneringen aan gezinsgeluk tijdens een verregende vakantiedag: ‘Alles wat er op de wereld was bevond zich op dat moment in een kleine ruimte van tentdoek, acht vierkante meter, twee grote en drie kleine mensen.’ In andere verhalen vertel ik over de levens en liefdes van een wetenschapper met obesitas, een vrouw met een hoofddoek die ten prooi valt aan een politieke omwenteling, een man met een dubbelleven, een therapeute die hoopt op seks, een kunsthistoricus die in de ban raakt van een sekte die verlossing belooft, een jonge schoenmaker die al het moois en moeilijks nog te wachten staat, en nog een tiental anderen. In hun verlangen naar verbondenheid stuiten zij allen op verlies, verraad en rouw; tegelijk scheppen ze genoegen in liefde, werk en herinneringen.

Advertenties
Geplaatst in Nieuws

Zuivering… en nog veel meer

NOG STEEDS VERSCHIJNT bijna elke week een nieuwe recensie en soms een column of interview van mijn hand in De 9200000076110616Standaard der Letteren, de onvolprezen letterenbijlage van De Standaard. Vooral over Nederlandstalige literatuur publiceer ik. Op de site van de krant kunt u alle teksten vinden. Komende vrijdag over Vergeet de meisjes van Alma Mathijsen, bijvoorbeeld; afgelopen vrijdag over de nieuwe romans van Griet Op de Beeck en Tom Lanoye.
Dat laatste stuk, over Zuivering van Tom Lanoye, vindt u hieronder. Vier sterren kreeg de roman in de krant.

Poetsen tot het schoon is
vlaar-maria-5488zww-titia-hahne
Maria Vlaar

IN HET STADSTUINTJE van Gideon Rottier, de excentrieke hakkelaar in Tom Lanoye’s nieuwe roman ‘Zuivering’, strijkt op een dag een haantje neer. De ‘ultieme schoonheid’, noemt hij het dier, ‘op de borst donkerpaars en bij de flanken antracietzwart. Naar de rug en de vleugels toe werden zijn veren okerbruin en bordeauxrood.’ Hij geeft hem te eten, biedt hem de tuin als territorium, en heeft zijn haantje lief.
Zo schenkt hij ook een deel van zijn huis, zijn ‘burcht, bolwerk en palazzo’, aan zijn enige vriend ooit: Youssef, een Syrische vluchteling die voor de massa uit zijn weg naar Europa weet te vinden, een charmeur en talenknobbel. Gideon is een intelligente boekenliefhebber; carrière maken en een gezinsleven hebben hem nooit getrokken. De gezworen Einzelgänger is vaak onderwerp van spot, al is het maar door zijn spraakgebrek, en heeft vreemde baantjes als spermavanger in een paardenfokkerij, voordat hij komt te werken bij ‘Extreme Cleansing’ en Youssef zijn gezworen kameraad wordt.
Exteme Cleansing zuivert de plekken in de samenleving waar de verwaarlozing oploopt en het kwaad toeslaat. Een huis ontruimen dat dertig jaar is volgestouwd door een man met hoarding, een onder water gelopen of door brand verwoest ‘druipend of zwartgeblakerd’ huis leegschrapen: Gideon, Youssef en hun collega’s poetsen tot het schoon is. Stoere mannen. Thuis vertelt Youssef mooie verhalen over zijn voettocht langs de spoorlijnen van Europa en over zijn land van herkomst, ‘ooit de navel van de geschiedenis. Nu een open wond vol koudvuur.’ Ze spelen schaak, lezen gedichten van Apollinaire en de Syrische dichter Adonis, Youssef drinkt een glas wijn en Gideon de rest van de fles.
Gideon beschrijft deze idylle, die zeker met een korrel zout genomen moet worden, in zijn memoires, omdat hij begrepen wil worden. ‘Alleen als u mij kent, raakt uw vonnis kant en wal.’
9200000072181690Het drama waarover ons oordeel gevraagd wordt, dient zich aan nadat Gideon door zijn maat gered is uit een brandend kraakpand en Youssef aankondigt dat zijn vrouw en twee puberkinderen overkomen. Gideon is geschokt dat hij nu pas hoort over een gezin, maar weet zich wonderwel aan te passen aan de wervelwind die zijn huis binnen dendert.
Met de gezinshereniging komen religie en politiek zijn huis – symbool voor België – in. Extreme Cleansing wordt het schoonmaakbedrijf bij uitstek dat opruimt na terroristische aanslagen. Daar komen er steeds meer van; de publieke en politieke reacties worden steeds xenofober. De oorlog bereikt België. Een foto van Gideon die na een aanslag een afgerukt kinderarmpje op het station van Antwerpen in een plastic zak doet die Youssef voor hem openhoudt, gaat online. Lanoye’s verhaal kantelt vernuftig van heerlijk schelmenverhaal naar angstwekkende dystopie.
Om beurten nemen de leden van dit gezin de positie in van opgejaagde vluchteling, lijder aan oorlogstrauma, cultuurdrager van Arabische poëzie en schaakkunst, vrome gelovige, geradicaliseerde extremist, eeuwige gelukszoeker. Alles te winnen, alles te verliezen: ze leven op het scherp van de snede, waarbij Gideon de ongewenste rol van surrogaatvader vervult. Lanoye weet dit spectaculaire verhaal over slachtoffer- en daderschap oplopend spannend, intrigerend en wonderschoon op te schrijven. Zo laat hij bijvoorbeeld tegelijk de menselijke én de onmenselijke kant van smokkelaars zien. ‘De macht die je hebt over zwakkeren stemt je bitter, maar ze bedwelmt je tegelijk,’ schrijft hij. Heeft Gideon ook het moraal van de mensensmokkelaar? Ook discussies rondom hoofddoekjes en zwembroeken onder de douche in de gym krijgen een plaats: dochter Loubna is de meest religieuze en tegelijk de meest zinnelijke van de familie. Gideon begeert en begluurt haar; zij is de enige die het hoofd koel weet te houden onder haar doek. Maar hoe betrouwbaar is Gideons verhaal over haar?
Gideons memoires zijn soms hilarisch en hier en daar larmoyant. Maar de theatraliteit wordt nergens buitenkant: je daalt af in zijn ziel. Hoe afstootwekkend hij zichzelf ook beschrijft, je gunt hem zo de troost van de schoonheid, van het 1ff4a6fc-a2c6-11e7-af3b-dd538d7af2f9haantje dat in zijn tuin komt wonen! Soms is de vroegere, hyperbolische Lanoye te zien, bijvoorbeeld als Youssefs scheet als ‘een passaatwind die Béla Bartók met gemak overstemde’ beschreven wordt, maar meestal voeren zijn geestige en meanderende zinnen je precies naar waar hij je hebben wil. Alinea’s en hoofdstukken worden afgesloten met twee korte zinnetjes onder elkaar die impact maken: ‘Ik was armer dan de meeste bedelaars. Ik bezat zelfs niemand om afscheid van te nemen.’ Dat werkt geraffineerd, net als de onvoorziene wendingen, de cliffhangers en de soms ineens als een zonnestraal door donkere wolken priemende vooruitverwijzingen: ‘Ik, Gideon Rottier, zou hem, mijn haantje, uiteindelijk smartelijk verliezen.’
Niets is zo zuiverend als de extremen water en vuur. Lanoye heeft de extreme morele dilemma’s van deze tijd en het menselijk drama van vriendschap prachtig samengebald. En het haantje? Die kraait nog minstens drie maal kukeleku in de roman. En hoe!

 

 

Geplaatst in Nieuws

Alfred Birney recensie en interview

Recensie in De Standaard 5 mei 2017

Alfred Birney
De tolk van Java
Roman, 544 pagina’s, De Geus

EEN WOEDENDE ROMAN
‘Vreemd dat vanaf zijn dood mijn nachtmerries zijn verdwenen.’ Alfred Birney (1951) heeft moeten wachten tot de tachtigste verjaardag, tevens sterfdag, van zijn vader voordat hij de autobiografische roman ‘De tolk van Java’ kon schrijven en eindelijk die man zijn leven uit kon schoppen. Zijn vader heet in de roman Arend Noland, geboren in 1925 op het nu Indonesische eiland Java onder de naam Arend Sie, als een van de vijf onwettige kinderen van een Nederlandse advocaat uit een gegoede plantersfamilie en een Chinese moeder. Die Chinese afkomst spaart hem tijdens de Japanse bezetting van de kolonie Nederlands-Indië van 1942 tot 1945, waarin 30.000 Nederlanders in concentratiekampen werden ondergebracht en honderdduizenden doden vielen. Noland gaat met zijn klasgenoten het verzet in tegen de Japanners, en ontpopt zich snel tot een genadeloze moordmachine. Na de capitulatie sluit hij zich aan als tolk bij de mariniers die de onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië de kop in moeten drukken. Maar volgens Nolands eigen memoires, die in ‘De tolk van Java’ zijn opgenomen zoals bij Stefan Hertmans opa in ‘Oorlog en terpentijn’, wordt hij ingezet voor de meest wrede mariniersacties op Java. In de loop van twee jaar vermoordt hij met eigen hand, liefst met zijn dolk, honderden Indonesiërs die ‘Merdeka’ eisen, vrijheid en onafhankelijkheid. De Eerste Politionele Actie zoals Nederland deze smerige koloniale oorlog nog steeds eufemistisch noemt is een zwarte bladzijde in de geschiedenis. De roman van Alfred Birney zal de laatste ogen van de Nederlandse staat en het collectieve bewustzijn moeten openen, want de aaneenrijging van oorlogsmisdaden, standrechtelijke executies en onwettige wraakacties die onder de vlag van ‘Koningin en Vaderland’ plaatsvonden is huiveringwekkend. De wreedheden van de diverse andere milities steken daar overigens niet onder.
In 1950 vlucht Noland met het laatste schip mariniers naar Nederland. Hij trouwt een correspondentievriendinnetje, een onnozele Brabantse deerne die de moeder wordt van hoofdpersoon Alan en zijn vier broers en zusters. In de roman wordt zij geestig als ‘kamerolifantje’ geportretteerd. ‘Lul die je bent’ en ‘jullie zijn van een andere planeet’ zijn de vaakst gebezigde termen voor haar zoons. Alan wordt door zijn vader talloze malen mishandeld, geslagen, geterroriseerd, en moet eindeloos diens stoere verhalen over martelingen en moordpartijen in Indië aanhoren. Bij ons thuis woedde altijd oorlog, heet het. Als Alan veertien is worden alle kinderen in internaten ondergebracht, waar de vernederingen doorgaan. ‘Waarom heb je mij verlaten?’ bijt de oorlogszieke vader zijn zoon toe als de Kinderbescherming ingrijpt en vader in een reeks rechtszaken probeert het gezag over zijn kinderen terug te krijgen.
Over hoe je je vanuit zo’n foltering op kunt richten gaat deze woedende roman, niet over vergeving of verzoening: daar kan geen sprake van zijn. Naast geestig, goed geschreven en vilein van toon is dit bovenal een noodzakelijk boek, dat geschreven móest worden. Van iedere 544 pagina’s spat die noodzaak af, zelfs als de lezer zich dreigt te vervelen met wéér een in detail beschreven heroïsche moordpartij. Birney ondervangt de overdaad door de zoon cynisch commentaar te laten leveren. Alan haat zijn ouders en verafschuwt zelfs zijn eigen fascinatie voor de sterke verhalen van Noland. Hij twijfelt soms aan het waarheidsgehalte van zijn vaders manuscript en speelt met diens onbetrouwbaarheid. Des te harder komt de uiteindelijke boodschap aan dat dit allemaal werkelijk gebeurd is.
Birney laat zelfs zien dat de zoon meer op de vader lijkt dan hij zou willen: ook Alan verslijt tientallen vriendinnen, ook hij komt uit een kapot gezin. Hij wordt gitaarleraar en later schrijver, net als Birney. Hij heeft de moed niet, maar fantaseert soms dat hij zijn vader vermoordt, zoals Noland eens bijna zijn broer ombracht en later zijn kleine neefje, enkel omdat die Japans bloed had. Op zijn twaalfde krijgt Alan een vulpen van zijn vader. ‘Toch wist je wat je deed door mij die pen te geven,’ schrijft hij zijn vader alsof die het nog lezen kan. De laatste zin van de roman, nadat Alan de geest van zijn onbekende Chinese oma alsnog over hem laat waken, luidt ‘Ik vecht niet langer, ik hou ermee op.’ Ik hoop voor Birney dat hij bevrijd is, maar dat hij niet ophoudt met schrijven. Zelden een boek gelezen waarin zo genadeloos geschiedenis wordt geschreven en tegelijk de nood om af te rekenen met de ouders zo hoog is.

Interview in De Standaard 12 mei 2017

‘WIL JE WETEN WAT OORLOG IS? NOU: LEES MAAR.’
Een gat in de lucht springen op het strand van Scheveningen wil hij, riep Alfred Birney (1951) uit toen hij maandag met De tolk van Java de LIBRIS Literatuurprijs won. Maar hij heeft geen tijd. ‘Morgen!’ hoopt Birney met een grijns. ‘Ik heb maar twee uur geslapen. Vanaf donderdag is alles volgepland met radio, boekhandels, signeersessies, interviews.’ Hij zal zijn dagritme moeten aanpassen, want is gewend in de nacht te schrijven en te gaan slapen als de zon opkomt. Zijn gewelddadige opvoeding maakte hem bang voor de nacht. Tot nu. Birney nam de oorlogsballast van zijn vader op zijn schouders. ‘Of je gaat eraan onderdoor, of je maakt er iets moois van. Mocht mijn vader mij nu kunnen zien, dan denk dat hij heel trots op me zou zijn.’ Eindelijk is de angst voor zijn vader hem niet meer de baas.

Alfred Birney Patrick Post

Alfred Birney, foto Patrick Post

Alfred Birney schreef vanaf 1987 romans, novellen, essaybundels en een verhalenbundel. Als hij een Indische roman schreef vroeg men waarom hij zich zo beperkte, als hij over de liefde schreef vroeg men waarom hij niet over Indië schreef. Hij had de hoop op een doorbraak naar het grote lezerspubliek al opgegeven, en maakte met zijn achtste en grootste roman De tolk van Java een ronde langs uitgevers voordat uitgeverij De Geus erin geloofde. ‘Ze hebben gedacht: een goeie schrijver, maar niet te verkopen,’ lacht Birney. Met erkenning voor zijn schrijverschap was Birney helemaal niet bezig. Het kon hem niets meer schelen. ‘Ik wist dat het mijn belangrijkste boek zou worden, maar roem interesseerde mij niet meer.’ Die houding heeft een grote rol gespeeld bij het schrijven van dit boek, legt Birney uit. ‘Ik liet alle literaire conventies varen.’ Hij nam alle vrijheid om te schrijven hoe en wat hij wilde, inclusief wat hij het ‘Rambo-motief’ noemt, het verschrikkelijke geweld in het leven van zijn vader. ‘Wil je weten wat oorlog is? Nou: lees maar. En wat komt eruit? Beschadigde jonge jongens, getraumatiseerd. En wat denk je dat die met hun kinderen doen?’
Zijn vader Adolf Birney (1925) schreef zijn memoires. ‘Ik herinner mij het gehamer op de typemachine, iedere avond. Mijn moeder dacht dat hij studeerde voor ingenieur,’ zegt Alfred. Het huiselijk geweld liep zo hoog op dat de Brabantse moeder een scheiding aanvroeg van haar Nederlands-Indische man, en de vijf kinderen in internaten werden geplaatst. Alfred, de oudste zoon, ging op zoek naar het manuscript van zijn vader. Moeder beweerde dat vader zijn jongste zoon in ruil voor een nieuwe gitaar het manuscript had laten verduisteren, vader beweerde dat moeder het verbrand had. ‘Omdat ik zo zeurde,’ zegt Birney nu, schreef zijn vader het opnieuw. Daarna woonde hij nog vijftien jaren in Spanje, waar hij op zijn tachtigste verjaardag verbitterd stierf.
Birney heeft het manuscript helemaal naar zijn hand gezet en er verhalen omheen geplaatst, zoals de befaamde Indische ‘spekkoek’, cake die uit verschillende laagjes bestaat. Hij heeft alles gecheckt, in boeken, archieven, plattegronden, en bezocht Oost-Java in Indonesië waar de verhalen zich afspelen. Hij ontmoette zijn tante Ina in een sloppenwijk langs de spoorlijn, en zijn tante Ella die na de atoombom op Hiroshima twee jaar in een voormalig concentratiekamp bescherming zocht tegen de Indonesische nationalisten, die in de ‘Bersiap’-periode tienduizenden slachtoffers maakten. Soms is geschiedenis krankzinnig: de soldaten die Nederlands-Indië van 1942 tot 1945 bezetten konden wegens benzinetekort niet terug naar Japan en werden aangezocht als bewakers van de tot toevluchtoord omgebouwde Jappenkampen. Tante Ella ontkende glashard de verhalen over Birney’s vader, maar haar stiefzus Poppy waarschuwde: laat je vader nooit naar Indonesië komen. Hij heeft heel erge dingen gedaan. Hij wordt meteen doodgemaakt. ‘En toen wist ik het!’ roept Birney.
Opschepperij van zijn vader over vriendinnetjes en motortochtjes op Harley Davidsons schrapte hij. Minder dan de helft hield hij over, en herschreef dat wel tien keer, tot hij het gevoel had dat het van hem was en hij zich bijna vereenzelvigde met zijn vader. ‘Ik zocht in dat chaotische manuscript naar de ontwikkeling van mijn vader.’ Hoe die zich als 17-jarige scholier en Indo-Europeaan met een fascinatie voor ‘Koningin en Vaderland’ verzet tegen de Japanners. Hoe hij zich meteen na de capitulatie meldt als gids bij de Engelse bevrijders, waarna de Nederlanders het gezag over de kolonie pogen te herstellen. Hoe hij zich tijdens de ‘Politionele Acties’, de koloniale oorlog die in 1946 uitbrak in Nederlands-Indië, ontwikkelt van tolk tot meedogenloze ondervrager en moordenaar onder de vlag van de Nederlandse marine. En hoe hij zich tenslotte aansluit bij een splintermilitie, zijn oude schoolvrienden die Indonesië tot een islamitische staat wilden maken. Niet vanwege het principe, legt Birney uit, maar alleen zodat hij wraak kan nemen op verraders, die eerst voor de Nederlandse mariniers vochten en later voor het TNI, het leger van Soekarno dat streed voor onafhankelijkheid. Honderden doden heeft hij hoogstpersoonlijk gemaakt. Langzaam drong tot Birney door dat de verhalen van zijn vader waarmee hij als kind vergiftigd werd, grotendeels waar waren.
Alfred Birney is nazaat van de Nederlands-Schotse familie Birnie uit Deventer. Eind negentiende eeuw vertrekt George Birnie naar Java, waar hij een tabaksplantage opzet en trouwt met zijn Javaanse huishoudster Rabyna. Ze krijgen acht kinderen en onder leiding van zoon David breidt het welvarende familie-imperium zich uit. Kleinzoon Willem Birnie, Birney’s opa, is de losbol van de familie. Hij wordt advocaat, gokt en is een vrouwenjager, maar anders dan zijn grootvader trouwt hij nooit met zijn Chinese vrouw met wie hij wél vijf kinderen heeft. Hij erkent zelfs zijn eigen kinderen niet, waardoor Birney’s vader en zijn tantes voor Indische Chinezen doorgaan. Slaan is de enige opvoedmethode in dit gezin. ‘Mijn vader voelde zich nooit erkend,’ zegt Birney. ‘Hij heeft zijn naam veranderd in Birney, stichtte een nieuwe tak. In mijn roman heet de vader Nolan, en verandert dat in Noland. Mijn oudtante Lies Birnie-Birnie die na het Jappenkamp terug naar Deventer is gedeporteerd zocht contact met mij toen ik al boeken schreef. Zij wilde mijn vader niet spreken, en toen ik het mijn vader vroeg zei hij: ‘Dat moet je niet doen. Dat zijn wij niet, dat zijn die anderen.’’
Birney is Indo. Van moederszijde een Brabantse schoenmakersfamilie, en warme vakantieherinneringen aan zwemmen in de vennen rondom Helmond. Van vaderszijde een Chinese grootmoeder en een Nederlands-Indische grootvader met een kwart Javaans bloed. De term ‘Indo’ kent een lange geschiedenis, legt Birney uit. In 1598 voer het eerste Nederlandse schip, van de Zeeuwse koopman Cornelis de Houtman, naar wat nu Indonesië heet. Er werd direct handel gedreven, maar ook de liefde bedreven. ‘Zodra een kolonisator voet aan wal zet wordt er negen maanden later een kind geboren, zeggen de feministen,’ aldus Birney. Kinderen van Hollandse mannen en Javaanse vrouwen werden ‘mestiezen’ genoemd, analoog aan de Portugezen die daar al honderd jaar zaten. De inheemse vrouwen mochten niet naar Portugal, en die regel namen de Nederlanders over. Van de Hollandse koopmannen die met hun handel naar huis voeren via de gevaarlijke Kaap de Goede Hoop, verdronken er heel wat. Hun bezittingen vervielen aan hun Javaanse vrouwen. Sommige namen een tweede, een derde man, werden steeds rijker, en bestierden het leven in de ‘ommelanden’ rondom Jakarta. Jongemannen vertrokken speciaal naar de Oost om met zo’n oudere, rijke vrouw te trouwen. Er ontstond een mengcultuur, bij Multatuli in zijn beroemde boek over Nederlands-Indië Max Havelaar de ‘liplappen’ genaamd. Rond 1900, toen de naam ‘Indonesia’ werd verzonnen, liepen ver-Indischte blanke mannen in sarong en slendang rond, maar kwam een nieuwe, totaal andere immigratiegolf op gang. Die Hollanders vestigden zich vooral in de kustgebieden, legden spoorlijnen en fabrieken aan en lieten Nederlandse, blanke vrouwen overkomen, die ook de mode gingen bepalen. Ze wilden geen Maleis leren maar ‘onder elkaar’ blijven, en waren veel Europeser georiënteerd dan de oude Indische cultuur. De Nederlandse regering wilde de Javanen verheffen, en de oude mengcultuur viel tussen wal en schip. Voor die Indo-Europeanen werd de term ‘Indo’ ingevoerd, en er kwamen maar liefst zeven loketten voor verschillende bevolkingsgroepen, vergelijkbaar met de Apartheid in Zuid-Afrika. Indo’s mochten naar Nederland komen om te studeren. De Nederlandse regering heeft nooit universiteiten gesticht in Indië, zoals wel de Fransen deden in Algerije en de Engelsen in India, en er is ook nooit taalpolitiek gevoerd. In India is Engels de tweede taal, en ieder jaar is de beroemde cricketwedstrijd tussen India en Engeland. Maar tussen Nederland en Indonesië is geen speciale band. Geen Nederlands als tweede taal, geen jaarlijkse voetbalwedstrijd. ‘Wij zijn een handelsnatie, zeggen de Nederlanders nog steeds. En daarmee ontwijken ze hun hele grote koloniale hoofdstuk. Terwijl vanaf 1825, toen het Cultuurstelsel werd ingevoerd, elke Javaanse boer voor de Nederlanders werkte.’
Birney beschrijft voor het eerst in de Nederlandse literatuur de misdaden van de Nederlandse mariniers in de jaren 1946-1949. ‘Hier móet een reactie vanuit de politiek op komen,’ meent Birney desgevraagd. Er is onlangs nieuw onderzoeksgeld gereserveerd voor het Instituut voor Oorlogsdocumentatie, maar dat duurt Birney te lang. Vorig jaar verschenen Roofstaat van Ewald Vanvugt, waarin een hoofdstuk over de massaexecuties in Nederlands-Indië, en De brandende kampongs van Generaal Spoor van de Zwitserse historicus Rémy Limpach, waarin de martelingen en standrechtelijke executies tijdens de zogenaamde Politionele Acties wetenschappelijk worden aangetoond. In De tolk van Java krijgt het extreme geweld een gezicht: dat van Alfred Birney’s vader. Dát is literatuur. ‘Geschiedenis, wetenschap begint altijd met verhalen,’ zegt Birney, ‘met orale cultuur of visuele cultuur. Mijn boek is een roman, maar waargebeurd.’
Het geweld dat zijn vader gebruikte is nooit opgehouden. In 1950 vluchtte hij met de laatste boot mariniers naar Nederland en trouwde een van zijn correspondentievriendinnen; in de roman heet zij het ‘kamerolifantje’. Altijd was er agressie: zijn vrouw, Alfred, diens jongere tweelingboer en zijn andere broer en zus moesten het ontgelden. Alleen het jongste zusje, pas vier jaar als alle kinderen in internaten geplaatst worden, ontspringt de dans. Ze heeft een week lang gehuild toen ze De tolk van Java las, vertelt Birney.
‘Dit boek heeft mij bevrijd,’ zegt Birney. ‘Zal ik je een voorbeeld geven? Ik durfde nooit met mijn rug naar de deur te slapen. Altijd de open deur in de gaten houden! Pas nu ik 65 ben, durf ik dat.’ Birney leeft en schrijft nog steeds in de nacht. ‘Ik ben een nightrider. Heel diep zit er een angst die zegt: blijf wakker tot je de vogels hoort fluiten. Mijn tweelingbroer heeft een gewoon dag- en nachtritme, maar hij lijdt aan nachtmerries. Hij is zo dapper om zijn nachtmerries tegemoet te gaan, ik ben zo laf om ze te ontwijken.’
Is hij bang geweest zelf de agressie van zijn vader in zich te dragen? ‘Nee, ik ben co-ouder van een zoon die nu 24 is en flamencogitaar studeert in Rotterdam. Ik ben altijd lief voor hem geweest. Als ik hem ophaalde van het strand speelde ik met alle kinderen terwijl de moeders aan het zonnen waren. Eén keer gaf ik hem een tik, één keer zijn moeder. Ik was net volwassen toen ik voor de spiegel ging staan en heb gezworen nooit van mijn leven een kind of een vrouw te slaan. Nog weken-, maandenlang voelde ik de nederlaag dat ik mijn belofte verbroken had, maar zij hadden het me allang vergeven. Ik ben rigide voor mijzelf.’
‘Je kunt je hele leven worden geslagen door je vader, maar je wordt wel door hem aangeraakt. Ik heb altijd voor hem bestaan. Hij heeft iets in me gezien. En hij gaf me een pen, opdat ik schrijver zou worden.’ Niet de Indische geschiedenis, het kolonialisme of de oorlog wordt het onderwerp van zijn volgende roman. Misschien de liefde, zoals in zijn roman Sonatine voor zes vrouwen uit 1996. Hij weet het nog niet. ‘De lezers, boekbesprekers, journalisten van nu zijn opener. Opgegroeid in een land waarin ‘anders zijn’ niet gek is. Je mag laten zien of je homoseksueel bent, gekleed gaan zoals je wilt, Turks of Surinaams zijn.’ Is Nederland nu pas aan Alfred Birney toe? Birney giechelt. ‘Ja, dat mag je wel opschrijven!’

Geplaatst in Nieuws

Biografie Joost Zwagerman

PERSBERICHT DE ARBEIDERSPERS | MARIA VLAAR SCHRIJFT BIOGRAFIE JOOST ZWAGERMAN

Maria Vlaar is aangesteld als officiële biograaf van Joost Zwagerman. Deze benoeming is tot stand gekomen in goed overleg tussen de erven van de schrijver en zijn uitgeverij De Arbeiderspers. De procedure om een biograaf te benaderen en vervolgens aan te stellen is ingegeven door de wens om de komende jaren slechts een persoon exclusief toegang te verlenen tot relevante archieven.

Met Maria Vlaar (1964) als biograaf is gekozen voor een tijdgenoot van Zwagerman die uitstekend thuis is in zijn werk en de auteur persoonlijk gekend heeft zonder tot zijn intimi te behoren. Vlaar, freelance literair journalist, recensent en interviewer voor onder meer De Standaard en literaire festivals, heeft een lange staat van dienst in de Nederlandse letteren. Zij startte haar loopbaan begin jaren negentig als redacteur bij uitgeverij De Bezige Bij en was later jarenlang adjunct-directeur bij het Letterenfonds. Vlaar begint haar werkzaamheden als biograaf meteen komend jaar. Het is de bedoeling dat de biografie in het najaar van 2020 verschijnt bij De Arbeiderspers, waar het overgrote deel van Zwagermans werk is verschenen.

De uitgeverij is buitengewoon verheugd Maria Vlaar bereid te hebben gevonden dit omvangrijke en belangrijke biografische karwei te willen aangaan. Joost Zwagerman (1963-2015) was een van de meest productieve en veelzijdige auteurs van zijn generatie. Zijn bibliografie telt tientallen titels. Alleen al bij zijn huisuitgeverij publiceerde hij vanaf 1986, toen hij debuteerde met de roman De houdgreep, eenendertig boeken, variërend van romans, verhalen, en gedichten tot essays, columns en andersoortige non-fictie. De essaybundel De stilte van het licht, zijn misschien wel meest ingetogen boek over beeldende kunst, verscheen in de week waarin de auteur zichzelf van het leven beroofde. Daarna verscheen nog bij Hollands Diep de dichtbundel Wakend over God. Vorige maand verscheen bij De Arbeiderspers een door Peter Buwalda gemaakte keuze uit Americana, zijn kolossale tweedelige meesterwerk over Amerikaanse kunst en cultuur.

image002

Geplaatst in Nieuws

lezen met kerst!

Ieder jaar weer publiceert De Standaard de beste boeken van het afgelopen jaar. Nu was de vraag: wat vond je het beste boek, welk boek verdient extra aandacht, en welk boek raad je de wereldleiders aan. Hieronder mijn antwoord uit De Standaard van afgelopen weekend:

A.F.Th. van der Heijdens Kwaadschiks lezen is je dagenlang onderdompelen in een benevelde geest en in het grootst mogelijke taalplezier. Een shakespeareaans drama vol onbenullige details, dat tegelijk over de twee grootste krachten ter wereld gaat: de dood en de liefde. Van der Heijden introduceert de gewelddadige Nico Dorlas naast Ernst Quispel, de advocaat die steeds weer moet kiezen tussen idealisme en cynisme. Voor wie tussen kerst en oud en nieuw echt ergens anders wil zijn.

Iets in ons boog diep van Jan Lauwereyns kan geen aandacht genoeg krijgen; een beeldschone roman over rondwormen in een conflictsituatie. Jawel, dat gaat wél over mensen, over rouw en over het gebutste brein dat daarvan het gevolg kan zijn. Opgewekt en lucide leed in het exotische Japan, dat toch heel vertrouwd aandoet. Vol sublieme filosofische zijsprongetjes en humor.

En als de wereldleiders Dokter Zjivago van Boris Pasternak lezen, begrijpen ze misschien wat oorlog, revoluties en geweld voor ellende teweeg kunnen brengen in het leven van gewone mensen. Twee keer verliest de dokter zijn gezin in de stroom van de geschiedenis. Mocht Donald Trump uit principe geen Russen lezen, laat hem dan Jenny Erpenbecks Gaan, ging, gegaan van zijn nachtkastje pakken, zodat hij te weten komt wat mededogen is. Daarin worden complexe morele dilemma’s over vluchtelingen subtiel afgewogen. Kom daar nog eens om in tijden van regeren-via-twitter.

Geplaatst in Nieuws

De gedroomde uitgever

Column over Rob van Gennep

De Standaard 28 oktober

In oktober 1985 verscheen in Duitsland Ganz Unten van Günter Wallraff, dat onder de goedgekozen titel Ik (Ali) twee weken later al werd gepubliceerd door de legendarische linkse Amsterdamse uitgever Rob van Gennep. ‘Puur nattevingerwerk,’ noemt Geke van der Wal, de biograaf van Rob van Gennep, zijn beslissing om de vertaalrechten te kopen van Wallraffs manuscript over zijn twee undercoverjaren als Turkse gastarbeider aan de onderkant van de Duitse arbeidsmarkt. Rob van Gennep (1937-1994), geëngageerd uitgever en grote persoonlijkheid, had een antenne voor wat er speelde in de maatschappij. Het woord ‘nattevingerwerk’ voor zijn beslissing een boek uit te geven dat een schot in de roos bleek in Nederland en Vlaanderen lijkt mij dan ook niet adequaat, maar zoals alle grote uitgevers kon ook hij weleens flink de plank misslaan.
Van der Wal schetst in haar biografie Rob van Gennep, Uitgever van links Nederland de bizarre zeden binnen uitgeverij, boekhandel en antiquariaat Van Gennep. Klanten en schrijvers werden regelmatig respectloos behandeld; zo kreeg tekenaar Peter van Straaten, die verplicht 200 exemplaren van zijn eigen boek af moest nemen, een sneer naar zijn hoofd toen hij de dozen op kwam halen: ‘Ga je een eigen winkeltje beginnen?’ Niet door Rob van Gennep, maar door een van zijn medewerkers, die probeerden zich een even groot ego aan te meten als hun charmante en luidruchtige ‘baas’ met zijn grote rode hart en zwak voor vrouwen. Let wel: het zijn de jaren zeventig en tachtig, en zoals op meer werkplekken was er een vorm van totale gelijkschakeling op de werkvloer. Rob veegde eigenhandig de stoep voor de winkel schoon en de secretaresse verdiende evenveel – of beter gezegd even weinig, want idealistisch als ze waren ging een groot deel van de winst naar actiegroepen – als de uitgever.
galeanoMaar Rob van Gennep, die samen met poëzieliefhebber en geldschieter Johan Polak (om zijn verfijnde smaak en bijzondere gedrag bespot door het personeel) de uitgeverij begon in de provotijd en zijn eerste brood verdiende met de verkoop van posters van Che Guevara en Karl Marx, was tegelijk een gewiekst zakenman. Juist het evenwicht tussen idealistisch uitgeven en commercieel instinct maken hem zo’n grote uitgever. Het publiceren van RAF-leden en Black Panthers en de ‘Kritiese Bibliotheek’ (gespeld volgens de linkse regels van die tijd) was net zo slim als de uitgifte van aandelen van de uitgeverij, het promoten van zijn eigen boeken in zijn column in De Groene Amsterdammer en de inkoop van buitenlandse ramsjpartijen, waarvoor Van Gennep naar de VS reisde en waarop hij het alleenrecht claimde. Als eerste uitgever wist hij ook voet aan de grond in Vlaanderen te krijgen. Hij had een minnares in Antwerpen, raakte bevriend met Jan Vanriet en richtte samen met ‘partner in crime’ André van Halewyck Het Andere Boek op, de toonaangevende alternatieve boekenbeurs, waar ik mij in de jaren negentig groen en geel ergerde aan de stoffige juten wandjes en bedompte sfeer. Maar hij wist ook dan nog grote buitenlandse schrijvers als Breyten Breytenbach en György Konrád te verleiden naar Antwerpen te komen; toen het politieke boek weinig geld meer in de la bracht werd Van Gennep de uitgelezen uitgeverij voor vertaalde literatuur in een iconisch vormgegeven serie met altijd een schilderij op het omslag. Ismail Kadare, Bohumil Hrabal, Elfriede Jelinek, Péter Nadás, Christa Wolf, Eduardo Galeano, Marguerite Duras bevolken dankzij Rob nog steeds mijn boekenkast. Rob van Gennep was niet alleen ‘uitgever van links Nederland’ maar ook de gedroomde uitgever van vertaalde literatuur in Nederland en Vlaanderen.

rob-van-gennep

Geplaatst in Nieuws

Frankfurt, 21-10-2016

Is dit wat we delen?

In de U-bahn zitten twee meisjes van rond de twintig die literatuurwetenschappen studeren. ‘Snap jij iets van die Frankfurter Schule?’ zegt de een. ‘Waarom heeft onze prof het nooit over hedendaagse Chinese literatuur?’ vraagt de ander. Ik zit in de metro in Frankfurt, waar ieder jaar in oktober de Buchmesse de stad overneemt. In alle restaurants, hotels en taxi’s zit een ‘Buchmesser’. En dit jaar is speciaal, omdat Vlaanderen en Nederland gastland zijn.

Dinsdag werd de Buchmesse officieel geopend. Er waren de gebruikelijke toespraken, maar die van Martin Schulz, voorzitter van het Europees parlement, steeg erbovenuit. Hij is een kind van doodgewone ouders, benadrukte hij, en school-dropout; door boeken te lezen ontwikkelde hij zichzelf. Na een jaar werkloosheid werd hij van arremoede boekhandelaar. ‘Literatuur heeft mijn leven gered’, zei hij. In een vlammend betoog stelde hij dat literatuur van levensbelang is voor de politieke en sociale samenhang van Europa, en duidde daarbij ook op de vluchtelingencrisis. Met instemming noemde hij Asli Erdogan, de Turkse schrijfster die in augustus in de gevangenis werd gegooid. Asli Erdogan had de pech te schrijven voor een krant die de Turkse regering liever niet meer wil zien verschijnen.

Ook de directeur van de Duitse boekhandelsbond Riethmüller citeerde haar: ‘Het is de literatuur altijd gelukt dictaturen te overwinnen’. Wauw. Zou het? De Vlaams-Nederlandse slogan ‘Dit is wat wij delen’ ging een eigen leven leiden; ineens ging ‘delen’ ook over wat wij met vluchtelingen kunnen delen en over de kracht van literatuur als wapen tegen het populisme. Arnon Grunberg en de Vlaamse dichteres Charlotte Van den Broeck droegen een mooie dialoog voor over identiteit en gastvrijheid. Grunberg had het over zijn laptop als ‘het draagbare vaderland’ en Van den Broeck vond het idee van een vaderland ouderwets maar had het wel over haar Vlaamse grootmoeder ‘in een laag uitgesneden blouse achter de cafétoog’.

Op dag 2 verdwalen groepjes Vlaamse en Nederlandse schrijvers in de immense hallen van de boekenbeurs. Die zijn niet bezig de wereld of hun vaderland te redden, maar maken zich vooral druk over hun eigen agenda. ‘Ik moet over een uur voorlezen in een kerk,’ zegt de een. ‘Ik heb straks een interview op de radio,’ panikeert de ander. ‘Ik heb een diner met mijn Duitse uitgever,’ pocht de derde. ‘Ik ben nog op zoek naar een Duitse uitgeverij,’ bekent de vierde beschaamd. Terwijl de politici ons vertellen dat literatuur van levensbelang is voor de Europese cultuur, de vrijheid van het woord en de wereldvrede, zijn de schrijvers bezig hun brood te verdienen met hun schrijverij. Zij willen dat die meisjes in de U-bahn hun boeken lezen.

Op dag 3 lijken ook de duizenden uitgevers die in Frankfurt de rechten van hun auteurs verhandelen met iets anders bezig. Turkije is ‘hot’, hoor je overal. Alle internationale uitgevers proberen een goede Turkse schrijver op hun lijst te krijgen, en binnen Turkije maakt de boekenverkoop een opleving mee. Dat is vaker zo, als de vrijheid van het woord en de pers onder druk staat: mensen krijgen enorme behoefte te lezen. Waarom? Misschien toch omdat schrijvers iets kunnen toevoegen of duiden aan de werkelijkheid waar we in zitten, en waar we soms niets van begrijpen.

Geplaatst in Nieuws