Opwaaiende zomerjurken 30 jaar later

WEG MET ALLES  —

Voor mijn generatie, die groot groeide tussen de idealistische generatie van de jaren ’60 en de materialistische van de late jaren ’80 en ’90, was Opwaaiende zomerjurken een beslissend boek. Toen ik naar Amsterdam kwam om te studeren zat het boek maandenlang in mijn pukkel die als boekentas fungeerde. Het was mijn lijfboek, ik sleepte het overal mee naartoe en heb er ongetwijfeld te pas en te onpas uit geciteerd. Het is het boek aan te zien: de grijze verf van de kaft is er half afgebladderd en het boek ziet eruit alsof het mee in bad is geweest, een lot dat later meer van mijn boeken hebben moeten ondergaan.
Ik heb het gekregen, zo verklapt het boek zelf, van mijn toenmalige grote liefde, en het is de tweeëntwintigste druk, van juli 1981. Het boek was toen pas 23 maanden oud. In september 1981 werd ik 17 jaar, en dit was mijn verjaarscadeau.
In Opwaaiende zomerjurken is de gedreven indolentie van mijn generatie meesterlijk verwoord. Edo is op zoek, tijdens drie episodes in zijn leven, naar het alomvattende en allesverklarende systeem. In het eerste deel is zijn zoektocht sterk verbonden aan de moeder, die hem God suggereert als sluitsteen van zijn theorie van alles. Maar het verlangen naar volmaaktheid is dan nog een kinderlijke, en de zoektocht naar kennis, naar weten, naar woorden, wordt begeleid door onnozelheid, blindheid en twijfel. Wanhoop kan nog worden gestild door een liefkozing, en wereldse verlangens, bijvoorbeeld naar intimiteit met onbereikbare rijpere buurvrouwen, houden Edo op de been. Gedurende deze lange zomer, alleen met zijn moeder, met wie hij een verstikkende haat-liefde verhouding heeft, laat hij zijn imaginaire andere ik, Oskar Vanille, de vrijheid opzoeken: een zeiltocht over het grote open water, ook al is het dan in werkelijkheid de zandbak.
In het tweede deel wordt de zoektocht naar de theorie serieus en gedisciplineerd aangepakt. Edo bestudeert de antieke natuurfilosofen, die de wereld als een eenheid, opgebouwd vanuit één principe beschouwen. In het principe ‘alles is getal’ denkt hij, voor even, zijn theorie gevonden te hebben.
In het derde deel barst alles uit. Edo denkt in de romantische liefde de eenheidsgedachte te hebben gevonden, maar komt natuurlijk bedrogen uit. Ook de liefde voldoet niet als verklarende principe voor een allesomvattende eenheid. Blijft over: de overgave aan de versplinterende, zelfdestructieve krachten die de held van Opwaaiende zomerjurken leiden naar een existentiële crisis. In die crisis gaat het om het afleggen van de wil: slaaf worden, of beter nog: blanco worden, willoos. Vanuit die crisis komt de katharsis, op de allerlaatste pagina van het boek. Gesteld voor de keuze voor dood of leven kiest Edo voor de levenswil.

In de tijd dat dit boek in de tassen van mij en mijn leeftijdgenoten zat, vierde de punk zijn hoogtijdagen. De wens om wat mooi en goed is kapot te maken, of het nu jezelf is, je huis, je familiebanden, je lichaam of je geliefde, was krachtiger dan ooit. Schoonheid had geen waarde, geschiedenis bestond niet. Je moest vooral niet rationeel leven, je moest je niets voornemen, zelfs niet voor de dag van morgen, je mocht niets plannen, en alles moest steeds open blijven. Wat je wel moest doen: op zoek gaan naar alles wat krachtig was. Beter om verscheurd door liefdesverdriet door de straten te zwalken dan rustig op de bank zitten met een kopje thee. De doelloosheid van het leven moest krachtig beleden worden. De dood werd daarbij vaak aantrekkelijker gevonden dan het leven: er werd voortdurend gekoketteerd met de dood, door overmatig drugsgebruik, zelfmoordgedachten en agressie. De grootsheid van het gevoel voor de dood was belangrijk: beter te sterven dan redelijk veilig en enigszins tevreden te leven.
Dat levensgevoel werd door Oek de Jong verbluffend goed getroffen. Ook Edo sluit geen enkel compromis. Als de liefde hem niet totaal vervult, hem niet de ogen opent voor een totaal begrip van de wereld, dan kiest hij tégen die liefde. ‘Het enige dat hem interesseerde was extreem te zijn.’ (p. 212) De grote angst voor het normale en het gemiddelde maakt enorme krachten los.
Na de generatie van de jaren ’60 verloor iedere ideologie zijn aantrekkingskracht. In de punktijd was er geen enkel vertrouwen in of zelfs maar beeld van de toekomst. Als er geen enkele instantie meer is om een levensovertuiging aan op te hangen, geen God, geen Mao, zelfs geen Castro meer, dan zit er niets anders op dan zelf goddelijk te worden, in zowel de creatieve als de demiurgische zin. Dát is wat Edo doet, hij wordt zijn eigen god en neemt zijn leven geheel in eigen hand, en dat is ook wat het boek zo aantrekkelijk maakte. Het bood een uitweg uit de uitzichtloosheid, vreemd genoeg door een verstikkend en destructief soort van individuele eigenwijzigheid te tonen.
Want Edo kiest een uitweg die in mijn generatie niet voor hand lag. Het lijkt alsof er twee dingen zijn die hem uiteindelijk aan het leven binden: natuur en kunst. Zijn katharsis, op de laatste pagina, beleeft hij in het open water van een van de Friese meren, waar de natuur om hem heen raast. Zo komt hij terug bij de idee van de natuurfilosofen uit het tweede deel.
En de kunst biedt hem de mogelijkheid een reddend alter ego op te bouwen. Als hij in het derde deel zojuist zijn grote liefde Nina tijdens een vakantie in Italië heeft verlaten, zoekt hij in Rome in musea en galleries naar de perfectie. In Titiaans Amor Sacro e Amor Profane ziet hij het zuivere, het symmetrische en het esthetische dat hij zelf zo zoekt en nooit kan vinden. En later ontmoet hij dan ‘de man met het Clark Gable snorretje’, de man die op een schijnbaar natuurlijke wijze alles onder controle lijkt te hebben en die altijd zijn woordje klaar heeft. Hij biedt Edo in een periode van op de loer liggende gekte en depressie een sterke alternatieve ik. Hij is de man die door spel, door toneelspel, door ironische distantie, door smaak en onderscheidingsvermogen altijd op de been blijft. Niet de perfecte man, maar beter dan het geestelijke wrak dat Edo, weer terug in Amsterdam, is geworden.
Misschien dat deze kunstfiguur hem laat zien dat perfectie een spel is, dat de zoektocht naar een alomvattend vormend principe te groot is voor een mens, en dat de mens het moet doen met toenaderingspogingen, waarvan kunst de meest geslaagde is.

In het tweede deel zitten de mooiste passages uit de Nederlandse literatuur over de tegenstrijdigheid waar een puber met veel gevoel en verstand aan ten prooi kan vallen. Edo logeert bij zijn oom en tante, op wie hij heimelijk verliefd is, op een eiland, en probeert daar aan zijn theorie te werken. Als 17-jarige lezer zag ik een 18-jarige jongen met stekelhaar in wanhoop; precies zo’n figuur als waarmee ik me in mijn eigen leven omringde, maar dan van binnenuit beschreven, adembenemend niet-gewoon in zijn denken en in zijn gedragingen. De pesterige, jennende toon van de 18-jarige die denkt alles al te weten, en die de volwassenen om hem heen verafschuwt vanwege hun veilige, besloten manier van leven. Het steeds maar doorgaande, redeloze denken dat schijnbaar tot grote inzichten leidt, die vervolgens maar niet begrepen worden door de volwassenen. De alleen door jezelf gevoelde geestelijke verhevenheid boven de anderen. De allesverterende onzekerheid over seksuele gevoelens, maar ook over de meest normale dagelijkse dingen. En ten slotte het hevig gevoelde sadistische gedrag van de volwassenen: oom Herman, die Edo’s droom van een klaar, glanzend wijsgerig systeem wreed verstoort met “In 7 ½ minuut zal ik al je denkbeelden om zeep helpen.”(p. 122)
Aan het slot van deel 2 verdwijnt Edo van het eiland met een diagonaal kaalgeschoren bebloede streep over zijn hoofd. Dat was een herkenbaar symbool voor een puber in die tijd: de pijn moet te zien zijn, niet verborgen in de geest, maar zich uiten in het lichaam.

Het boek laat dus zien, hoe zwart het soms ook is, dat er strohalmen zijn voor de mens die lijdt onder de cynische werkelijkheid. Er is de natuur, die volgens zijn eigen wetten en regels voortschrijdt, en die zich niets aantrekt van de pogingen van de mens om de wanhoop te bestrijden. En er is de kunst, die halfgeslaagde poging om de perfectie te benaderen. De kunstmatige opwekking van emoties, van schoonheidsliefde, van een soort van waarheid, heeft een prettige, verdovende werking op de onrustige geest van de zoekende mens. Edo is in zijn almaar voortdurende zoektocht een vat vol onrust en tegenstellingen. Hij schreeuwt om liefde, maar rent weg als de liefde zich aandient. Hij is een open zenuw, maar probeert tegelijk alles te rationaliseren. Hij zoekt natuurlijkheid, maar kiest kunstmatigheid.
Het tot een eenheid smeden van al deze tegenstellingen, Edo’s doel in het leven, blijkt niet een proces te zijn dat gestuurd kan worden. Hij probeert het op allerlei manieren, maar zijn doelgerichtheid leidt hem alleen maar verder de chaos in. De versplintering kan alleen tot een glanzende, schitterende eenheid samensmelten in het onderbewuste. Dát is het moment van de opwaaiende zomerjurken, achterop de fiets bij zijn moeder: een groot geluksgevoel, een onbeschijflijk licht en ruim gevoel. “Alles was gewoon zoals het was. Maar hij hoorde bij alles en zweefde.”

Het idee dat dit gevoel zelfs een getormenteerde ziel als Edo kan overkomen, is ongelooflijk troostend geweest voor mij en mijn vrienden. Zelfs als het je maar twee keer in je leven overkomt: het is een perspectief, het geeft vertrouwen in de toekomst en in de mens. Het biedt een wil tot leven.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Essays. Bookmark de permalink .