Passaporta festival: over de droom van het hiernamaals en over vulkanen

De hemel volgens Francesco Botticini

De hemel volgens Francesco Botticini

Op het literatuurfestival Passaporta in Brussel presenteer ik op zondag 24 maart om 12.30 in het Paleis van Schone Kunsten BOZAR een bijzonder gesprek tussen de Roemeense schrijver Mircea Cartarescu en de Vlaamse schrijver Erwin Mortier. Onderwerpen: de romans De trofee (Cartarescu) en Godenslaap (Mortier) en de wijze waarop beide schrijvers zich God en de hemel voorstellen. ‘Verbeelding’ is het overall thema van het festival, en zal ook ter sprake komen in het tweede gesprek dat ik die zondag modereer: met de IJslandse schrijvers Auður Ava Ólafsdóttir en Sjón (tekstschrijver voor o.a. Björk en Lars von Trier) over de invloed van het onherbergzame IJslandse landschap, oude saga’s en het opgroeien in een kleine gemeenschap.
Voor alle informatie en toegangskaartjes: http://www.passaporta.be

Geplaatst in Interviews on stage, Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor Passaporta festival: over de droom van het hiernamaals en over vulkanen

Dat is literatuur: je vader na zijn dood naar zee brengen

Mijn laatste column in FILTER, het onvolprezen tijdschrift over vertalen:

Allemaal naar Mongolië (of Polen)

Laatst sprak ik een festivaldirecteur die zijn festival met éénderde moest inkrimpen, en ook collega’s moest ontslaan, door alle bezuinigingen van de overheid op kunst en cultuur. Hij was eerst verdrietig en boos geweest, daarna verontwaardigd dat de Nederlandse bevolking niet veel meer protesteerde tegen de bezuinigingen op cultuur, toen berustend. En nu was hij optimistisch! Hij had een reis gemaakt naar Mongolië, voor zijn werk, en zei dat hij het cynisme dat de Nederlandse kunstwereld zo kenmerkt helemaal van zich af had geschud.
Dát kan dus kennelijk met je gebeuren als je buiten de grenzen gaat. Niet overal, want uit ervaring weet ik dat je cynisme ook zo maar vergroot kan worden door een reis naar London of New York, waar de uitgevers in dure kantoren zitten, met portiers bij wie je je paspoort moet laten zien, en redacteuren die een jaar later ontslagen kunnen zijn omdat ze hun omzetdoelstelling niet haalden.
Wat is cynisme in de kunst? Misschien wel het hele idee dat het geld op moet brengen. Dat kunst een wedstrijd is in fondsen werven, bezoekersaantallen opschroeven, marketingstunts bedenken. Dat het een aftroeven is van andere kunstinstellingen. Als je in Nederland de kunstinstellingen en festivaldirecties over elkaar hoort praten, en nu spreek ik óók uit ervaring, dan schrik je van de wijze waarop ze elkaar de maat nemen. Ook dát is cynisme.
Ik ontmoette een vroegere docent van mij aan de universiteit, ik noem hem even X, die zich na vijfentwintig jaar nog steeds op dezelfde manier afzette tegen zijn collega’s: de ene zou lelijk over hem geschreven hebben in de krant om met hem af te rekenen, de ander zou jaloers geweest zijn omdat X ook romans publiceerde, de derde zou hem zijn neveninkomsten als tekstschrijver voor politici benijden.
Ik zei tegen hem: jullie zijn van een generatie die elkaar voortdurend de maat nam. Hij keek me aan en zei: ja, zó was het, ze namen mij voortdurend de maat.

In Boedapest bezocht ik enkele jaren geleden de directrice van een kleine uitgeverij, die graag Nederlandse boeken wilde uitgeven. Ze gaf alleen maar boeken van joodse schrijvers uit, wat haar actieradius natuurlijk meteen al flink verkleinde, en de hele uitgeverij bleek dan ook te bestaan uit haar en haar dochter: twee hartelijke, levendige en vrolijke vrouwen, die op een achterkamer in een huizenblok in een middenstandsbuurt mooie, maar vaak verdrietige literatuur uitbrachten.
Het was me in Boedapest al eens overkomen dat ik een uitgever feliciteerde met de Nobelprijs voor de Literatuur – ik was meteen na de Boekenbeurs in Frankfurt naar Boedapest gereisd en dacht dat de Hongaarse uitgeverijen garen zouden spinnen bij een Hongaarse winnaar. De man keek me glazig aan en zei toen: Imre Kertész is geen Hongaar, hij is een jood. Ik viel bijna van mijn stoel.
Dát was dus het klimaat waarin deze vrouw en haar dochter hun boeken aan de boekhandels en lezers probeerde te slijten. Dat ging er heel letterlijk aan toe. Na het levendige gesprek met haar vroeg ze waar ik naartoe moest; ik had een afspraak aan de andere kant van de stad. Ik breng je wel! riep ze.
In haar piepkleine auto moesten eerst achterbak en achterbank volgepropt worden met dozen met boeken. We moesten even een pitstop maken onderweg, lachte ze me toe. Dat bleek te zijn bij de belangrijkste boekhandel van Boedapest. Met vereende krachten sleepten we de dozen boeken naar binnen. Het was nog een heel gedoe, want sommige dozen waren voor de concurrent bedoeld, een paar straten verderop. Na de levering leverde ze mij af bij mijn volgende afspraak, breed wuivend vanachter haar beregende voorruit. Dat is ook kunst.

Wat moet je nou met al je Nederlandse cynisme, in Mongolië, of zelfs al in Hongarije? Hoe doet Grunberg dat toch, zo ironisch blijven? Het is juist daar, op reis — of je die reis nu in het echt maakt, of zoals Jules Verne in je stoel — dat je het cynisme van je af kunt stropen. En kunt ervaren waar het in de kunst ook alweer om ging.
Op een poëziefestival waar ik laatst was bleken bijna alle deelnemers, toevallig, een gedicht over de dood van hun vader voor te lezen. De mooiste was van de introverte Pool Jarosław Mikołajewski, uitgegeven door AzulPress en vertaald door Karol Lesman.
De eerste twee strofen van Het luchtbed luiden:

Vader blies het elke zomer voor ons op.
Het is dertig jaar oud, misschien wel ouder.
Uit de spleten sijpelt nog altijd zand.
In de verdikkingen ademt nog de lucht uit zijn longen.

Zolang ik het niet wegdoe, zolang de ratten het niet stukbijten,
kan mijn vader naar zee.

En P.F. Thomése, die vooral geroemd wordt om zijn door-en-door ironische toon, vertelde laatst in een interview dat hij nu een roman schrijft ‘over afwezigheid’ en over de dood van zijn vader. ‘De dood, in sacrale zin, heeft niets aan ironie. Ja, een begrafenis kun je ironisch beschrijven. Maar de dood zelf, dat gat in je leven, dat zich niet in iedereen weer sluit, verdraagt geen ironie. Ik zoek toch waarachtigheid.’
Waarachtigheid. Dat is literatuur. Dat is kunst: je vader na zijn dood naar zee brengen.

Geplaatst in Columns, Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor Dat is literatuur: je vader na zijn dood naar zee brengen

Interviews met Maxim Februari en Nir Baram

de maakbare manDeze vrijdag in De Standaard: een interview met Maxim Februari over De maakbare man, waarin hij zijn transformatie van vrouw naar man beschrijft. En op 8 maart in De Standaard een interview met de Israëlische schrijver Nir Baram, over zijn roman Goede mensen. In het zomernummer van het tijdschrift De Nieuwe Liefde komt een uitgebreider interview met Baram over de huidige situatie in Israël. Dat wordt een tweeluik met het eerder verschenen interview met
David Grossman.

Geplaatst in Interviews, Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor Interviews met Maxim Februari en Nir Baram

Drie must-reads van Amos Oz

Een verhaal van liefde en duisternis, Oz’ grote autobiografische roman, is een overrompelend portret van zijn vader en diens romantische, groot-zionistische droom, een rouwboek over zijn moeder die zelfmoord pleegde, en een boek over de dromen en desillusies van Israël. Oz beschrijft de emigratiegolven van 1919 en 1933, en de gemiste kans in 1947/48 voor een tweestaten-oplossing. Een roman over een land ‘waar iedereen praatte en niemand luisterde’, vermomd als een familiegeschiedenis, waarin alle kiemen en sporen te vinden zijn van Oz’ oeuvre.

Onder vrienden speelt zich af in een kibboets in de jaren vijftig. In een interview in Ha’aretz zegt Oz zelf dat Onder vrienden gaat over ‘eenzaamheid, in een gemeenschap waar naar eigen zeggen geen plaats is voor eenzaamheid’. Op een mooie, bedachtzame toon vertelt hij vol heimwee over de tijd waarin de mensen in Israël nog onverstoorbaar optimistisch konden zijn.

Amos OzVoor iedereen die Jeruzalem wil bezoeken, is de Jeruzalem Trilogie een aanrader. Het bevat drie vroege boeken van Amos Oz. Mijn Michaël, geschreven vlak voordat de Zesdaagse Oorlog (1967) uitbrak, gaat over een vrouw die gekweld wordt door depressies, en die een romantisch verlangen koestert naar haar literaire helden. In De Heuvel van de Boze Raad beschrijft Oz de drukke Oost-Europese immigrantenwijk Kerem Avraham waar hij werd geboren, en waar joden en Arabieren samenleefden zonder elkaar het leven zuur te maken. En De derde toestand is een humoristisch portret van de typische betweter: een man die denkt alles beter te weten dan de Israëlische regering.

Geplaatst in Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor Drie must-reads van Amos Oz

Vandaag in de krant

— mijn interview met Esther Gerritsen, met weer een schitterende foto van Patrick Post (zie hieronder), een recensie over Gerritsens roman Dorst, een recensie over Hotel Vertigo, de Hitchcock-roman van Kees ’t Hart (dat alles in De Standaard), en in De Groene Amsterdammer een stuk over Torgny Lindgren en Bernlef, die beiden hun herinneringen opschreven in een roman, in respectievelijk Herinneringen en Onbewaakt ogenblik.

Esther Gerritsen

Geplaatst in Interviews, Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor Vandaag in de krant

Esther Gerritsen, Nederlandse debuten en Amos Oz

Nieuwe artikelen in De Standaard der Letteren:

Anker Een beschaafde man– een stuk over Amos Oz’ Onder vrienden (18-1-2013), dat zich afspeelt in de kibboets. Amos Oz: ‘Voor mij was de kibboets een ultieme universiteit van de menselijke natuur. Ik heb dertig jaar doorgebracht met driehonderd mensen in intieme nabijheid. Ik zag alles, ik zag hen en hun levens, en kende hun geheimen.’ [uit interview met Ha’aretz]
– een artikel over Nederlandse debuten, met Jan-Willem Ankers Een beschaafde man en Marjolijn van Heemstra’s De laatste Aedema als positieve uitschieters. Titel: Adel verplicht (25-1-2013). Citaat: ‘Anker wekt bewondering op, door de durf en de joyeuze overmoed waarmee hij schrijft.’
– een interview met Esther Gerritsen over onder meer de voordelen van ducktape: zie de krant van vrijdag 1 februari. Mét recensie van Gerritsens roman Dorst en natuurlijk weer een geweldige foto van Patrick Post.

Geplaatst in Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor Esther Gerritsen, Nederlandse debuten en Amos Oz

Drie nieuwe opdrachtgevers

Weer een aantal nieuwe opdrachtgevers: De Jan Campert-Stichting vroeg mij een essay te schrijven over Stephan Enters roman Grip. Het verschijnt op 20 januari in een boekje dat speciaal ter gelegenheid van de uitreiking van onder andere de F. Bordewijkprijs wordt gemaakt. De uitreiking is onderdeel van het Schrijversfeest, in Den Haag: zie de website van het Writers Unlimited Festival.
Kunsten ’92, belangenvereniging voor de cultuursector, vroeg mij een stuk te schrijven over de stand van zaken in het gesubsidieerde letterenland: het is te vinden in ‘Het beeld van de sector’ op de website http://www.kunsten92.nl.
En voor NRC Handelsblad schreef ik een artikel over het boekenvak; dat verschijnt vrijdag 11 januari in de Boekenbijlage.

Geplaatst in Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor Drie nieuwe opdrachtgevers

‘IK VERZIN GRAAG MIJN EIGEN FLAUWE GRAPPEN’ – P.F. Thomése Literatuur of karikatuur?

Waarachtigheid, dat is wat ik zoek

De Standaard, 9 november 2012

Door Maria Vlaar – Foto Patrick Post
P.F.Thomése aan de bamiDoor en door ironisch, zou je denken als je van P.F. Thomése alleen Het bamischandaal kent. Maar in zijn herenhuis in Haarlem, vol schilderijen en kinderspeelgoed, zit een doorgewinterde intellectueel met een groot oeuvre. Die graag plat wil zijn, van tijd tot tijd. ‘Banaliteit is een boeiend gebied, waar ik me graag in begeef. Ik houd van Wagner én van countrymuziek. Van verfijnd eten én van een portie bami. En dat kan heel goed naast elkaar.’

Is Het bamischandaal niet eigenlijk een stripboek zonder plaatjes?
Net als een stripboek hangt het van stereotypen aan elkaar. Maar stereotypen zijn ook de basis van alle humor.
De meeste mensen leven volgens hun eigen sjablonen. Iemand als J. Kessels, daar hoefde ik weinig aan te verzinnen. Hij diende zich gewoon aan als personage, al heel vroeg in mijn schrijversbestaan. Hij is journalist en columnist van het Eindhovens Dagblad. Ik ging met hem naar Amerika. De Greatest Hits-verhalen waren oorspronkelijk journalistiek, en toch dacht iedereen dat hij verzonnen was.

Omdat ú hem zo stereotyp heeft gemaakt!
Ja maar zo ís hij. Hij beantwoordt graag aan zijn eigen karaktervastheid, zullen we maar zeggen. Hij heeft zich gemodelleerd naar de films, boeken en songs waar hij van houdt.

En nu modelleert hij zich naar uw boeken?
Misschien wel: op zijn voicemail noemt hij zich ‘J. Kessels’. Hij is de enige die het boek van te voren mag lezen. Want hij is écht mijn beste vriend. Maar het personage Schellekens bijvoorbeeld, die heeft het niet gelezen. ‘Het zal wel wat moois worden,’ zei hij me. En Peer is de andere ‘beste vriend’ van J. Kessels. Hij geeft les aan Polen in Tilburg.

Hij leert ze bami eten?
Nee, porno kijken misschien.

In het boek maakt Peer zich druk om de mensenrechtensituatie in China.
Ja, dat was een grap over de delegatie Nederlandse schrijvers die naar de Boekenbeurs in China werd uitgezonden. Er ontstond een relletje omdat sommige schrijvers zo laatdunkend deden over de mensenrechten. En intussen zo naïef zijn om te denken dat wij daar de boekenmarkt kunnen beïnvloeden. Daar kan Peerke wel overheen, in de categorie stereotypen, dacht ik zo.

Heeft u nooit het idee dat u over zoiets wel iets serieus zou willen zeggen?
Ja, maar dan kom je zo snel in de dagelijkse woordbagger terecht die de journalistiek en de commercie over de mensen heen stort. Wat kunnen wij vanaf hier zeggen over de werkelijkheid in China?
In Grillroom Jeruzalem, dat ik schreef naar aanleiding van een propagandareis waarvoor ik was uitgenodigd, werd ik direct geconfronteerd met de mensen op de Westbank. Daar kon ik dus wel iets zinnigs over zeggen.

Maar er is nu net bericht uit China: het halve openbare leven wordt stilgelegd vanwege het Partijcongres, boeken worden uit de boekhandels gehaald, dissidente schrijvers worden de stad uit gejaagd. Daar kun je toch iets van vinden?
Precies – en wat is dan de adequate reactie? Daarom speel ik een spel met de werkelijkheid en de verbeelding. Mijn boodschap is verzet tegen de vooropgezette denkbeelden. Zodat de lezer zelf gaat nadenken. Dat is de taak van de schrijver.
Als schrijvers zich gaan gedragen als Bekende Nederlanders of Vlamingen, gaat het mis. In vijf minuten kunnen ze hun boek samenvatten op televisie, en dat doen ze beter dan schrijven. Ik hoop dat mijn boeken beter zijn dan ik zelf ben. Ik houd me het liefste bezig met echt goede schrijvers, zoals nu de Zweed Torgny Lindgren.

Maar als er íemand authentiek is, is het de schrijver Lindgren – en u gelooft toch niet in authenticiteit?
Hij komt met verhalen, reconstructies, hypotheses… Lindgren is ongrijpbaar, gekunsteld, dubbelzinnig. De werkelijkheid interesseert hem niet, maar het verhaal wel. Dáár begint de literatuur.
Of het allemaal wel klopt? Of het waar is? Dat interesseert mij geen moer. Zoals de kamer van Proust aan de Boulevard Hausmann; daar zit nu een Koreaanse bank. Je kunt er naar binnen, en ze hebben de ruimte stemmig behangen met de verkeerde kurk, maar dat is het dan wel. Dat zegt helemaal niets.
Het is allemaal fictie. En ik dacht altijd dat mensen die van literatuur houden, dat wel door hadden. En dat ze dat ook kunnen toepassen als ze het nieuws op televisie zien. Maar dat is niet zo.
Ik schrijf voor de kunst maar ook voor de lol. Nabokov zegt: literatuur is beauty plus pity. Maar dat is me te heilig.

Bij u is het: beauty plus pity plus entertainment?
Ja, zoals bij Shakespeare. Die is toch ook de meester van het entertaiment.

Bent u elitair?
Nee, in een biertent op een dorpsfeest ga ik echt niet over Proust of Nabokov staan praten. Terwijl ik daar heel wat van weet. Maar ik wil niet alleen literatuur schrijven die ‘onder elkaar’ verstaanbaar is. Mijn schoonmoeder en mijn buurman moeten mij ook kunnen lezen.
Maar ik schrijf daarnaast voor de goede verstaander. Als ik door niemand begrepen wordt, zou het zinloos zijn. Als schrijver stel ik de hoogste eisen. Het moet onverdund. Door die dubbelheid ben ik veroordeeld tot de ironie. Ook bij de marketingcampagnes rondom mijn boeken en boeklanceringen.

Hoopt u niet dat de recensenten zich tegen u verzetten? Want u probeert te provoceren, maar krijgt steeds maar lof?
Toen Schaduwkind uitkwam, was iedereen positief, vaak niet op literaire maar op persoonlijke grond. Omdat het ging over de dood van mijn dochtertje. Ik had graag gezien dat er meer literaire kritiek op kwam. Het gaat om de vorm. Zó moet het beoordeeld worden. Kritiek op het boek zou ik nooit opvatten als kritiek op mijn vaderschap, of op mijn dochtertje.
Het schrijven van dat boek ging buiten mij om. Het was wezenlijk, iets dat ik vóór het schrijven ervan niet kende. Ik vroeg me af of ik wel schrijver zou blijven. En toen ging het boek ineens over het inzicht dat literatuur kan brengen.

Maar wat Schaduwkind níet heeft, is uw bejubelde ironie.
Nee, dat kon niet. Maar daarna ben ik allerlei onbelangrijke dingen weer belangrijk gaan vinden. Beuzelarijen.
Schaduwkind heb ik in eerste instantie geschreven voor mezelf, en voor Makira, mijn vrouw. De opvolger, Izak, heb ik in dezelfde gemoedsbeweging geschreven. Het was mijn manier om te wennen aan het nieuwe leven, mijn zoontje was toen geboren. En het was een annexatie van mijn vrouw en mijn Molukse schoonfamilie. Het is het meest negatief besproken en het minst verkocht van al mijn boeken. Men miste mijn scherpe pen, mijn ironie.

Bent u nooit uw eigen ironische pose zat?
Ik zie ironie als ‘zeggen en niet zeggen tegelijk’ – het wezen van de literatuur. Het is een spel, maar een ernstig spel. Ik wil de waarheid onder woorden brengen, maar die waarheid is dubbelzinnig. Je liegt én je bent eerlijk. Die dubbelheid zoek ik, en die vind je niet in het meeste autobiografische proza.
En die strijd om de hegemonie van de taal, tussen de marketingtypes en de schrijvers, vind ik geen bijzaak. Ik verzin graag mijn eigen flauwe grappen.

U zou steenrijk worden als u zich zou verhuren aan een reclamebureau.
Ja! Maar dat is voor middelmatige schrijvers.

U wilt steeds iets anders schrijven?
Nou, vanaf de maan bezien zijn wij allen even klein; zelfs in een e-mail herken ik mijn eigen stijl. Maar wezenlijk ben ik een experimenteel schrijver. Nu schrijf ik weer een serieuze roman zonder ironie, De onderwaterzwemmer. Over afwezigheid. Een verhaal gebaseerd op de vader van mijn jeugdvriendje, die in het laatste jaar van de oorlog regelmatig de rivier overzwom, naar het bevrijde gedeelte van Nederland, samen met zijn broer. Totdat de broer een keer niet meer opdook. Hij heeft twee dagen en nachten op de oever zitten wachten. Met dat beeld wilde ik altijd al iets doen, en het heeft ook veel met de dood van mijn eigen vader te maken. Mijn vader was een klassieke intellectueel, we leefden in een groot huis vol boeken. Ik werd journalist, maar mijn moeder vond dat geen goed plan. Ik had drie studies geprobeerd, dat werd niks. Mijn grootvader was bouwkundig ingenieur, kende Berlage en Rietveld, mijn grootmoeder sopraan. Kunst en literatuur waren belangrijk in mijn familie.
Ik was eenentwintig toen mijn vader stierf, en het was een onbegrijpelijke gebeurtenis. Het heeft mijn kijk op het leven helemaal veranderd. Alles gerelativeerd. Wel een melancholicus gebleven, maar minder ernstig geworden.
De dood, in sacrale zin, heeft niets aan ironie. Ja, een begrafenis kun je ironisch beschrijven. Maar de dood zelf, dat gat in je leven, dat zich niet in iedereen weer sluit, verdraagt geen ironie.
Waarachtigheid, dat is wat ik zoek. De rest is flauwekul.

Eerste zin
‘Precies op dit moment ligt J. Kessels op zijn kamer in het Cockroach Hotel te Shanghai ‘zichzelf een hand te geven’, zoals de Chinese uitdrukking luidt: sjekkie in de verkeerde hand en gaan met die banaan.’

De J. Kessels boeken van schrijver P.F. Thomése zijn hilarische verslagen van zijn avonturen en zijn vriendschap met J. Kessels, zijn oudste ‘en beste’ vriend. ‘Al die boeken beginnen met een telefoontje,’ zegt Thomése er zelf over. En vervolgens buitelen de gênante, door-en-door provinciale en platte gebeurtenissen over elkaar heen. ‘Geen fantasie, geen literatuur, geen Nobelprijsgezeik,’ kort samengevat. In Greatest Hits, het eerste Kessels-boek, zijn de twee vrienden op zoek naar countrymuziek in de V.S. J. Kessels: The novel is een road novel waarin het tweetal voetbal, porno en frikandellen vindt in de hoerenbuurt van Hamburg.
Het nieuwe Kessels-boek Het bamischandaal vangt aan met de Tilburger Peerke, die P.F. Thomése opbelt om hulp te vragen. J. Kessels is namelijk verdwenen, ‘zijn lul achterna’, verliefd op het nichtje in het Chinese afhaalrestaurant waar hij iedere week zijn portie bami haalt. Hij zit in Shanghai (‘Fu Yong Hai’ volgens Peer), naar het schijnt. Op naar China dus! Thomése haalt zelf een paar keer Kuifje aan, en daar doet het dan ook aan denken: met de ogen dicht het ongerijmde in, het clichématige avontuur tegemoet. Maar waar Kuifje volkomen seksloos is, denken Kessels (in China ‘Verlepte Lotus’ genoemd) en zijn kornuiten alleen maar aan seks. J. Kessels ‘was die hij was, vond hij. Daar moesten ze het maar mee doen. Verlepte Lotus uit de Koekenbakkerstraat in Tilburg-Noord. Lievelingseten: bami. Hobby’s: geen. That was him.’
China is niet meer dan een plat decor. Alle personages bestaan echt, maar er wordt heel wat met ze gegoocheld in Thoméses literaire universum. Zo merkt hij in Het bamischandaal schamper op: ‘Romantechnisch is het niet zo handig om als auteur streepje personage én de lelijke én de mooie vrouwen voor jezelf te reserveren, en ik kan de critici in de verte al horen jeremiëren.’ Maar ja, de schrijver is ook maar een wezen dat ‘moet vreten, schijten en neuken’. De J. Kessels-boeken druipen van de ironie. Hoogst amusant, en voor de goede verstaander met een duidelijke boodschap over de werking van fictie, literatuur en het literaire bedrijf.

De lancering van Het bamischandaal gaat gepaard met een rake marketingcampagne: een You Tube filmpje waarin heel China in opstand komt tegen de schrijver, omdat hij de Chinese bami in een kwaad daglicht stelt. ‘Die is heel niet te vreten.’
In de prestigieuze Verwey-lezing die P.F. Thomése vorig jaar hield, verzet hij zich juist tegen het vermarkten van literatuur. De schrijver heeft een hooggestemde intellectuele mening over boeken en literatuur, en zet tegelijk alle middelen in om zijn eigen boeken te verkopen; hij leeft immers van de pen. Zelf zit hij daar niet mee, omdat het nu juist zijn punt lijkt aan te tonen: in de huidige maatschappij gaat het om wat je te verkopen hebt, niet om wat je te vertellen hebt. Hij hoopt dat zo’n filmpje de mensen bewust maakt dat het marketing is.

Geplaatst in Interviews | Reacties uitgeschakeld voor ‘IK VERZIN GRAAG MIJN EIGEN FLAUWE GRAPPEN’ – P.F. Thomése Literatuur of karikatuur?

De tijd van frivoliteit is voorbij – CHRISTIAAN WEIJTS over een misplaatst gevoel van geluk

Euforie is het verhaal van Johannes Vermeer – niet de bekende Hollandse schilder, maar een moderne architect – die is opgegroeid in de euforische jaren negentig, en die na ruim twintig jaar werken besluit om opnieuw idealistisch te worden. De roman begint met een verwoestende aanslag van islamitische fundamentalisten in een parkeergarage in Den Haag, waarna Vermeer ongewild in het verleden duikt, zijn schooltijd op een elitair gymnasium oprakelt, en met zijn architectenbureau verwikkeld raakt in een strijd om de aanbesteding van een nieuw, spectaculair gebouw, dat moet verrijzen op de puinhopen van de bominslag.
Het is de vierde roman van de romanschrijver en politiek columnist Christiaan Weijts (1976), die in Nederland vooral bekend is van zijn rake politieke columns in nrc.next en zijn literaire columns in De Groene Amsterdammer. In zijn romans nam hij alle kunsten onder de loep: in Art. 285b (2006) speelde muziek een grote rol, in Via Cappello 23 (2008) beeldende kunst, en in de novelle De etaleur (2009) dans. En nu dus de architectuur.

De Standaard, 30 november 2012

Door Maria Vlaar – Foto Patrick Post
Christiaan Weijts

Christiaan Weijts heeft twee kleine kinderen en woont in een bovenwoning in Den Haag. Op de houten vloer vol kinderspeelgoed ligt een kunstboek opengeslagen. Zijn schoonvader past op terwijl ik met Weijts speek over zijn nieuwe roman Euforie. ‘Dat is een feestje hoor,’ zegt opa terwijl hij zijn huilende kleinkind troost. In een café om de hoek praten we verder over literatuur, politiek, het dagelijks leven en over zijn nieuwe boek. En over het vreemde fenomeen ‘naked short-selling’.

U zit bepaald niet stil sinds u vader bent geworden.
Nee, ik schrijf drie columns per week, en maak me druk over van alles. Morgen ga ik demonstreren tegen het Spuiforum, het nieuw te bouwen culturele onderkomen in Den Haag. 180 miljoen euro moet dat ding kosten! Het is een project voor de elite. Terwijl culturele buurtcentra en bibliotheken de deuren sluiten vanwege de bezuinigingen.

En intussen uw vierde roman geschreven.
Dit boek heeft een lange aanloop gehad, maar toen kreeg ik een mooie werkplek aangeboden in het NIAS (Netherlands Institute for Advanced Study) in Wassenaar. De laatste enclave van de geest, noem ik het. Een van de weinige plekken waar niet vergaderd hoeft te worden, waar het alleen om je eigen onderzoek en om schrijven gaat. En waar om 12.30 precies de warme maaltijd wordt opgediend. Ik heb er goed kunnen werken, 50.000 woorden geschreven.

U heeft tot het laatste moment nog vanalles veranderd aan uw boek?
Je hebt een bepaald ideaal dat je nastreeft, daar valt het manuscript nooit helemaal mee samen. Ik heb er tot het einde aan geschaafd. Schrijven is herschrijven, en herschrijven is lezen. Net doen alsof je een lezer bent, in plaats van de schrijver zelf.
Als ik een lezing moet houden denk ik altijd in de trein ernaar toe wel een goede scène te kunnen vinden. En dat lukt dan niet. Ik vind het nooit goed.
Soms weet ik wel wat de mensen leuk vinden. Laatst trad ik op in Wassenaar, voor een gezelschap van bestuurders en hoge ambtenaren, en toen las ik de scène voor die zich afspeelt in het sjieke Hotel des Indes. Lachen! Maar in Heerlen vonden ze daar niks aan…

U geeft in uw boek een tijdsbeeld van begin jaren negentig. Is dat uw tijd?
Ik was vijftien in 1991, en dat was een jaar waarin alles samenviel. De Muur was gevallen, de Golfoorlog brak uit, Europa werd één, de internetbubbel kwam op, het beurskapitalisme…

U beschrijft het als een entertainmentsgeneratie, en een generatie die worstelt met de moraal?
Ja, iedere ochtend CNN kijken, de Eerste Golfoorlog. Maar wij tieners keken ernaar alsof het entertainment was, een computergame. Het was geen échte oorlog. Maar wel spannend. Frivoliteit, dat kenmerkt die generatie; een cultuur waarin niets ernstigs gebeurt, en alles geestig en lollig is. Als er geen bedreigingen zijn en de technologie helemaal tot je beschikking staat en steeds meer gadgets aanbiedt, hoef je ook niet volwassen te worden.

Een vorige generatie schrijvers, onder wie Harry Mulisch, vroeg zich altijd af waar men over schrijven moest als men de oorlog niet had meegemaakt.
‘Het geluk laat zich slecht vertellen,’ zegt Flaubert. Als je in een tijd opgroeit waar alleen maar vooruitgang is, dan moet de stofwolk van elders komen.

Begint uw boek daarom met een enorme ontploffing in een parkeergarage in Den Haag?
Misschien wel ja! Die frivoliteit, dat gevoel onaantastbaar te zijn, dat superieure gevoel, dat hyperkapitalisme, al die ‘zegeningen’ van de jaren negentig, komen nu tot een einde. ‘Euforie’, de titel van mijn boek, betekent: een misplaatst gevoel van geluk. En dat is het echte jaren-negentig gevoel, met de nadruk op ‘misplaatst’.

U schrijft over de slachtoffers van die ontploffing, niet over de daders. Waarom?
Ik wilde graag over de personen schrijven die in het nieuws op de achtergrond blijven. In het nieuws gaat het over ‘het Islamdebat’, maar bij de slachtoffers in mijn boek speelt dat helemaal niet. Daar gaat het om vragen als: Wie ga je redden tijdens zo’n ramp? Iemand die je van vroeger kent, uit jouw kring, of een onbekende, dikke, lelijke man?

U maakt een scherpe tweedeling tussen de ‘gewone man’ en de ‘verhevene’ in uw boek. U citeert zelfs een hele pagina in het latijn. Geeft u daarmee de lezer het gevoel dom te zijn?
Nee hoor, ik kan het zelf ook niet stante pede vertalen! Ik heb dat gedaan om dat superioriteitsgevoel van die lerares op het gymnasium te kenschetsen. Dat geheime-club gevoel dat leefde op het gymnasium. ‘Wij’ tegen de rest, bijvoorbeeld tegen het lyceum aan de andere kant van de straat. Dat kende ik zelf ook; ik zat ook op het Stedelijk Gymnasium in Leiden, waar een deel van het verhaal zich afspeelt.

Meer dan twintig jaar later schrijft u een beetje vilein op wat al die mensen nu geworden zijn. Incident-manager bij een verzekeringsmaatschappij, bijvoorbeeld.
In de gymnasiumperiode van het boek zitten veel autobiografische elementen. Ik ben weleens bij een reünie geweest, en het was écht een bekakte school. In een verhaal, de oerversie van deze roman, had ik de echte namen gebruikt. ‘Dat kun je niet maken,’ werd tegen me geroepen. Ik had een leraar een lul genoemd die volgens anderen een van de aardigste mensen van de school was. Maar in deze roman zijn de personages een eigen leven gaan leiden, met gefantaseerde namen.

En de populairste types hebben nu de saaiste banen?
Is het inderdaad zo saai om incident-manager te zijn? Misschien niet. De meeste mensen hebben een baan waarin ze vast zitten in allerlei structuren. Als je de vacaturekranten bekijkt zit er sowieso weinig spannends tussen. En dat is toch wat de meeste mensen doen.

Wat voor tijd is deze tijd?
Het begin van de neerval. Mijn kinderen zullen een veel zwaardere tijd meemaken dan waarin ik ben opgegroeid. Ik heb een architect als hoofdpersoon genomen omdat dat vak erg hard wordt geraakt door de financiële crisis. En dat is nog maar een voorbode: er komt ook nog de vergrijzingscrisis, een voedselcrisis, een materialencrisis, een energiecrisis…

U vergeet de klimaatcrisis?
Die hebben we ook nog! Maar je kunt daar zo weinig over zeggen. De reflex is om naar kleine dingen te gaan kijken, waar je wel iets aan kan doen. Zoals de politiek zich druk maakt om reiskostenvergoedingen… Maar een architect bouwt in prinicipe voor de toekomst, voor de komende generaties. Die heeft een grotere blik dan alleen het heden.

Beschrijft u daarom zo uitgebreid de Rome-reis, traditioneel de afsluiting van een gymnasium-opleiding, om al die eeuwenoude gebouwen te kunnen beschrijven?
Ja, het Pantheon, dat al die eeuwen heeft meegemaakt. Maar ik vind het Armenhospitaal in Florence, van de architect Brunelleschi, uit 1419, misschien wel het mooiste gebouw ter wereld. Helemaal gebouwd volgens de verhoudingen in het menselijk lichaam, zoals Vitruvius dat had beschreven in de Oudheid, in een geschrift dat toen net weer was teruggevonden.

Kom daar nog maar eens om in de huidige tijd?
Ja, nu is de bouwwereld iets volkomen anders. Als de overheid nu een bouwopdracht geeft, is dat omdat er een goeie deal is met een bank plus projectontwikkelaar. En die zoeken er dan een architect bij die dat een beetje goedkoop kan. Eigenlijk bepalen de banken hoe ons land eruit ziet. Ze verkopen een totaalpakket, met de glazenwassers en klimaatbeheersing erbij. En er is zoveel fraude in de bouwwereld! Net als in de financiële wereld: de ‘naked short selling’, het gokken op aandelenkoersen, is uitgevonden in Holland, in de zeventiende eeuw, toen er werd gespeculeerd op de waarde van Hollandse tulpen. Dat hebben we goed weten te verspreiden over de wereld.

U lijkt pessimistisch, maar uw hoofdpersoon eindigt idealistisch?
Ja, maar dan wordt zijn gebouw niet gebouwd. Het ideale kunstwerk wordt niet uitgevoerd, want dan hoeven er ook geen concessies gedaan te worden. Maar een schrijver wil gelezen worden, een architect wil dat er in zijn gebouw geleefd wordt. Je ontkomt niet aan een bepaalde mate van je ziel verkopen.

U ook?
Ongetwijfeld. Oprechte zelfspot is dat dus. Ik schrijf drie columns per week, dat is natuurlijk ook niet ‘voor de eeuwigheid’. In mij zit die tegenstelling ook. Maar om die columns te kunnen schrijven moet ik naar buiten, en daar doe ik weer ideeën op voor mijn romans. Ik ben zelf een ‘praktische idealist’ geworden, ik probeer wel iets te mobiliseren. Getemperd idealisme, noem ik het.

‘Ga toch weg man’, zegt een televisiepersoonlijkheid, een soort Jan Mulder bij De Wereld Draait Door, tegen een politicus in uw boek.
De macht ligt tegenwoordig bij de televisie, er is een democratisering van de zeggenschap over de maatschappij. Die is verschoven van de politiek naar de media, en naar het bedrijfsleven. De treinen bijvoorbeeld, de ziekenhuizen: daar moet winst gemaakt worden, terwijl het collectieve voorzieningen zijn. Er zit een soort darwinisme in: als je ze op elkaar afstuurt komt de sterkste wel bovendrijven. Misschien kun je dat schijndemocratie noemen.

Uw eerste roman ging over muziek, uw tweede over beeldende kunst, uw derde over dans, uw vierde over architectuur. Werkt u een programma af?
Dat lijkt wel zo hè! Maar het is niet zo, het is toevallig. Ik vond architectuur zo interessant omdat er zoveel aan vast zit: vormgeving, economie, politiek, financiën, techniek, bouwkunde. Een architect is een van de laatste generalisten, net als de schrijver. Wij moeten overal iets vanaf weten, ons overal in verdiepen, en een helemaal eigen wereld maken.

Geplaatst in Interviews | Reacties uitgeschakeld voor De tijd van frivoliteit is voorbij – CHRISTIAAN WEIJTS over een misplaatst gevoel van geluk

Interviews met P.F. Thomése en Christiaan Weijts

Onder het kopje ‘Interviews’ (kies ‘Publicaties’ in het menu hierboven) zijn vanaf vandaag de interviews voor De Standaard met Christiaan Weijts en P.F. Thomése te vinden!

Geplaatst in Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor Interviews met P.F. Thomése en Christiaan Weijts