De tijd van frivoliteit is voorbij – CHRISTIAAN WEIJTS over een misplaatst gevoel van geluk

Euforie is het verhaal van Johannes Vermeer – niet de bekende Hollandse schilder, maar een moderne architect – die is opgegroeid in de euforische jaren negentig, en die na ruim twintig jaar werken besluit om opnieuw idealistisch te worden. De roman begint met een verwoestende aanslag van islamitische fundamentalisten in een parkeergarage in Den Haag, waarna Vermeer ongewild in het verleden duikt, zijn schooltijd op een elitair gymnasium oprakelt, en met zijn architectenbureau verwikkeld raakt in een strijd om de aanbesteding van een nieuw, spectaculair gebouw, dat moet verrijzen op de puinhopen van de bominslag.
Het is de vierde roman van de romanschrijver en politiek columnist Christiaan Weijts (1976), die in Nederland vooral bekend is van zijn rake politieke columns in nrc.next en zijn literaire columns in De Groene Amsterdammer. In zijn romans nam hij alle kunsten onder de loep: in Art. 285b (2006) speelde muziek een grote rol, in Via Cappello 23 (2008) beeldende kunst, en in de novelle De etaleur (2009) dans. En nu dus de architectuur.

De Standaard, 30 november 2012

Door Maria Vlaar – Foto Patrick Post
Christiaan Weijts

Christiaan Weijts heeft twee kleine kinderen en woont in een bovenwoning in Den Haag. Op de houten vloer vol kinderspeelgoed ligt een kunstboek opengeslagen. Zijn schoonvader past op terwijl ik met Weijts speek over zijn nieuwe roman Euforie. ‘Dat is een feestje hoor,’ zegt opa terwijl hij zijn huilende kleinkind troost. In een café om de hoek praten we verder over literatuur, politiek, het dagelijks leven en over zijn nieuwe boek. En over het vreemde fenomeen ‘naked short-selling’.

U zit bepaald niet stil sinds u vader bent geworden.
Nee, ik schrijf drie columns per week, en maak me druk over van alles. Morgen ga ik demonstreren tegen het Spuiforum, het nieuw te bouwen culturele onderkomen in Den Haag. 180 miljoen euro moet dat ding kosten! Het is een project voor de elite. Terwijl culturele buurtcentra en bibliotheken de deuren sluiten vanwege de bezuinigingen.

En intussen uw vierde roman geschreven.
Dit boek heeft een lange aanloop gehad, maar toen kreeg ik een mooie werkplek aangeboden in het NIAS (Netherlands Institute for Advanced Study) in Wassenaar. De laatste enclave van de geest, noem ik het. Een van de weinige plekken waar niet vergaderd hoeft te worden, waar het alleen om je eigen onderzoek en om schrijven gaat. En waar om 12.30 precies de warme maaltijd wordt opgediend. Ik heb er goed kunnen werken, 50.000 woorden geschreven.

U heeft tot het laatste moment nog vanalles veranderd aan uw boek?
Je hebt een bepaald ideaal dat je nastreeft, daar valt het manuscript nooit helemaal mee samen. Ik heb er tot het einde aan geschaafd. Schrijven is herschrijven, en herschrijven is lezen. Net doen alsof je een lezer bent, in plaats van de schrijver zelf.
Als ik een lezing moet houden denk ik altijd in de trein ernaar toe wel een goede scène te kunnen vinden. En dat lukt dan niet. Ik vind het nooit goed.
Soms weet ik wel wat de mensen leuk vinden. Laatst trad ik op in Wassenaar, voor een gezelschap van bestuurders en hoge ambtenaren, en toen las ik de scène voor die zich afspeelt in het sjieke Hotel des Indes. Lachen! Maar in Heerlen vonden ze daar niks aan…

U geeft in uw boek een tijdsbeeld van begin jaren negentig. Is dat uw tijd?
Ik was vijftien in 1991, en dat was een jaar waarin alles samenviel. De Muur was gevallen, de Golfoorlog brak uit, Europa werd één, de internetbubbel kwam op, het beurskapitalisme…

U beschrijft het als een entertainmentsgeneratie, en een generatie die worstelt met de moraal?
Ja, iedere ochtend CNN kijken, de Eerste Golfoorlog. Maar wij tieners keken ernaar alsof het entertainment was, een computergame. Het was geen échte oorlog. Maar wel spannend. Frivoliteit, dat kenmerkt die generatie; een cultuur waarin niets ernstigs gebeurt, en alles geestig en lollig is. Als er geen bedreigingen zijn en de technologie helemaal tot je beschikking staat en steeds meer gadgets aanbiedt, hoef je ook niet volwassen te worden.

Een vorige generatie schrijvers, onder wie Harry Mulisch, vroeg zich altijd af waar men over schrijven moest als men de oorlog niet had meegemaakt.
‘Het geluk laat zich slecht vertellen,’ zegt Flaubert. Als je in een tijd opgroeit waar alleen maar vooruitgang is, dan moet de stofwolk van elders komen.

Begint uw boek daarom met een enorme ontploffing in een parkeergarage in Den Haag?
Misschien wel ja! Die frivoliteit, dat gevoel onaantastbaar te zijn, dat superieure gevoel, dat hyperkapitalisme, al die ‘zegeningen’ van de jaren negentig, komen nu tot een einde. ‘Euforie’, de titel van mijn boek, betekent: een misplaatst gevoel van geluk. En dat is het echte jaren-negentig gevoel, met de nadruk op ‘misplaatst’.

U schrijft over de slachtoffers van die ontploffing, niet over de daders. Waarom?
Ik wilde graag over de personen schrijven die in het nieuws op de achtergrond blijven. In het nieuws gaat het over ‘het Islamdebat’, maar bij de slachtoffers in mijn boek speelt dat helemaal niet. Daar gaat het om vragen als: Wie ga je redden tijdens zo’n ramp? Iemand die je van vroeger kent, uit jouw kring, of een onbekende, dikke, lelijke man?

U maakt een scherpe tweedeling tussen de ‘gewone man’ en de ‘verhevene’ in uw boek. U citeert zelfs een hele pagina in het latijn. Geeft u daarmee de lezer het gevoel dom te zijn?
Nee hoor, ik kan het zelf ook niet stante pede vertalen! Ik heb dat gedaan om dat superioriteitsgevoel van die lerares op het gymnasium te kenschetsen. Dat geheime-club gevoel dat leefde op het gymnasium. ‘Wij’ tegen de rest, bijvoorbeeld tegen het lyceum aan de andere kant van de straat. Dat kende ik zelf ook; ik zat ook op het Stedelijk Gymnasium in Leiden, waar een deel van het verhaal zich afspeelt.

Meer dan twintig jaar later schrijft u een beetje vilein op wat al die mensen nu geworden zijn. Incident-manager bij een verzekeringsmaatschappij, bijvoorbeeld.
In de gymnasiumperiode van het boek zitten veel autobiografische elementen. Ik ben weleens bij een reünie geweest, en het was écht een bekakte school. In een verhaal, de oerversie van deze roman, had ik de echte namen gebruikt. ‘Dat kun je niet maken,’ werd tegen me geroepen. Ik had een leraar een lul genoemd die volgens anderen een van de aardigste mensen van de school was. Maar in deze roman zijn de personages een eigen leven gaan leiden, met gefantaseerde namen.

En de populairste types hebben nu de saaiste banen?
Is het inderdaad zo saai om incident-manager te zijn? Misschien niet. De meeste mensen hebben een baan waarin ze vast zitten in allerlei structuren. Als je de vacaturekranten bekijkt zit er sowieso weinig spannends tussen. En dat is toch wat de meeste mensen doen.

Wat voor tijd is deze tijd?
Het begin van de neerval. Mijn kinderen zullen een veel zwaardere tijd meemaken dan waarin ik ben opgegroeid. Ik heb een architect als hoofdpersoon genomen omdat dat vak erg hard wordt geraakt door de financiële crisis. En dat is nog maar een voorbode: er komt ook nog de vergrijzingscrisis, een voedselcrisis, een materialencrisis, een energiecrisis…

U vergeet de klimaatcrisis?
Die hebben we ook nog! Maar je kunt daar zo weinig over zeggen. De reflex is om naar kleine dingen te gaan kijken, waar je wel iets aan kan doen. Zoals de politiek zich druk maakt om reiskostenvergoedingen… Maar een architect bouwt in prinicipe voor de toekomst, voor de komende generaties. Die heeft een grotere blik dan alleen het heden.

Beschrijft u daarom zo uitgebreid de Rome-reis, traditioneel de afsluiting van een gymnasium-opleiding, om al die eeuwenoude gebouwen te kunnen beschrijven?
Ja, het Pantheon, dat al die eeuwen heeft meegemaakt. Maar ik vind het Armenhospitaal in Florence, van de architect Brunelleschi, uit 1419, misschien wel het mooiste gebouw ter wereld. Helemaal gebouwd volgens de verhoudingen in het menselijk lichaam, zoals Vitruvius dat had beschreven in de Oudheid, in een geschrift dat toen net weer was teruggevonden.

Kom daar nog maar eens om in de huidige tijd?
Ja, nu is de bouwwereld iets volkomen anders. Als de overheid nu een bouwopdracht geeft, is dat omdat er een goeie deal is met een bank plus projectontwikkelaar. En die zoeken er dan een architect bij die dat een beetje goedkoop kan. Eigenlijk bepalen de banken hoe ons land eruit ziet. Ze verkopen een totaalpakket, met de glazenwassers en klimaatbeheersing erbij. En er is zoveel fraude in de bouwwereld! Net als in de financiële wereld: de ‘naked short selling’, het gokken op aandelenkoersen, is uitgevonden in Holland, in de zeventiende eeuw, toen er werd gespeculeerd op de waarde van Hollandse tulpen. Dat hebben we goed weten te verspreiden over de wereld.

U lijkt pessimistisch, maar uw hoofdpersoon eindigt idealistisch?
Ja, maar dan wordt zijn gebouw niet gebouwd. Het ideale kunstwerk wordt niet uitgevoerd, want dan hoeven er ook geen concessies gedaan te worden. Maar een schrijver wil gelezen worden, een architect wil dat er in zijn gebouw geleefd wordt. Je ontkomt niet aan een bepaalde mate van je ziel verkopen.

U ook?
Ongetwijfeld. Oprechte zelfspot is dat dus. Ik schrijf drie columns per week, dat is natuurlijk ook niet ‘voor de eeuwigheid’. In mij zit die tegenstelling ook. Maar om die columns te kunnen schrijven moet ik naar buiten, en daar doe ik weer ideeën op voor mijn romans. Ik ben zelf een ‘praktische idealist’ geworden, ik probeer wel iets te mobiliseren. Getemperd idealisme, noem ik het.

‘Ga toch weg man’, zegt een televisiepersoonlijkheid, een soort Jan Mulder bij De Wereld Draait Door, tegen een politicus in uw boek.
De macht ligt tegenwoordig bij de televisie, er is een democratisering van de zeggenschap over de maatschappij. Die is verschoven van de politiek naar de media, en naar het bedrijfsleven. De treinen bijvoorbeeld, de ziekenhuizen: daar moet winst gemaakt worden, terwijl het collectieve voorzieningen zijn. Er zit een soort darwinisme in: als je ze op elkaar afstuurt komt de sterkste wel bovendrijven. Misschien kun je dat schijndemocratie noemen.

Uw eerste roman ging over muziek, uw tweede over beeldende kunst, uw derde over dans, uw vierde over architectuur. Werkt u een programma af?
Dat lijkt wel zo hè! Maar het is niet zo, het is toevallig. Ik vond architectuur zo interessant omdat er zoveel aan vast zit: vormgeving, economie, politiek, financiën, techniek, bouwkunde. Een architect is een van de laatste generalisten, net als de schrijver. Wij moeten overal iets vanaf weten, ons overal in verdiepen, en een helemaal eigen wereld maken.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Interviews. Bookmark de permalink .