Libris Literatuurprijs weer niet naar een vrouw

Cliënt E. Busken van Jeroen Brouwers is een geweldig boek. Geestig, meeslepend, irritant, erudiet, ontroerend, ontluisterend. Brouwers is een terechte winnaar van de Libris Literatuurprijs en de prijs is hem van harte gegund. Maar het zit me dwars dat er wéér niet voor een vrouw gekozen is, nadat in de afgelopen jaren Manon Uphoff en Esther Gerritsen al gepasseerd waren. In 29 jaar ging de prijs slechts drie keer naar een vrouw. Hieronder mijn overzichtsartikel in De Standaard van afgelopen zaterdag over wie er waarom de Libris Literatuurprijs 2021 had moeten winnen.

Zaterdag 8 mei in De Standaard der Letteren

WIE GAAT DE LIBRISPRIJS 2021 IN DE WACHT SLEPEN?

Zes romans, waarvan vijf over gevangenschap en vier van jonge auteurs, zijn genomineerd voor de Libris Literatuurprijs 2021 die maandag 10 mei wordt uitgereikt. Maria Vlaar duidt de jurykeuze en kiest een winnaar.

tekening Celine Poppe

‘Er kleeft verdriet in me, als drabbige stroop, de hele dag al, eigenlijk al jaren, eigenlijk al sedert mijn conceptie,’ bekent E. Busken in Jeroen Brouwers’ Cliënt E. Busken. Busken lijdt aan Parkinson, zit in een rolstoel, is opgenomen in een inrichting en volgens zijn verplegers niet meer bij zinnen. Letterlijk, want hij zegt niets meer, sinds hij erachter kwam dat er toch niet wordt geluisterd. Maar vanbinnen woelt alles nog: zijn verloren liefdes, zijn verleden, zijn intellect en vooral de verbittering over zijn leven. De instelling waar hij woont is als een gevangenis, maar zijn eigen hoofd is dat óók. Hij probeert te ontsnappen door zichzelf steeds een andere professie toe te dichten, van dirigent tot hersenchirurg, van meteoroloog tot mysticus, terwijl zijn verzorgers zeggen dat hij in de postkamer van defensie werkte. Maar wij lezers weten wel beter: Busken is natuurlijk schrijver, net als Brouwers, en zijn gevangenschap raakt de kern van Brouwers’ gehele schrijverschap. Van het Jappenkamp Tjideng tijdens de Tweede Wereldoorlog in Bezonken rood (1981) tot het besloten kloosterinternaat in Het hout (2014) is de mensheid in Brouwers’ universum een gevangenis, waarin een kind niet onbeschadigd op kan groeien. En nu Busken, geobsedeerd door vier-letter-woorden als doof, stom, mens, rook, de dood voelt naderen, is het tijd die verafschuwde gevangenis voor eens en altijd vast te leggen. Busken is al bijna ‘een persoon van marmer’ – denk aan een praalgraf in een kerk. Brouwers geselt de lezer met zijn zwartgalligheid, maar zijn scherpe pen is ook uiterst geestig, bijvoorbeeld als hij de arme medebewoonster Mieneke Kalckbrander beschrijft, van beroep handactrice. Genade kent hij niet voor anderen en niet voor zichzelf. Het is niet gewrocht om in deze roman Brouwers’ zwanenzang te zien – hij citeert ‘Im Abendrot’ uit de Vier letzte Lieder die Strauss net voor zijn dood componeerde – hoewel we natuurlijk hopen dat er nog veel moois uit Lanaken komt.

De jury van de Librisprijs 2021 lijkt op het eerste gezicht zes heel verschillende romans te hebben genomineerd, alsof de smaken uiteenliepen. Twee heren met een indrukwekkend oeuvre en diametrale opvattingen over literatuur: Jeroen Brouwers (81) en Erwin Mortier (55). Twee jonge schrijvers over de uitwassen van het idealisme: Gerda Blees (36) en Merijn de Boer (38). En twee nóg jongere romanciers die óók dichter zijn en bovenop de tijdgeest zitten: debutante Simone Atangana Bekono (30) en Marieke Lucas Rijneveld (30), wier debuutroman De avond is ongemak de hoogste eer kreeg door de International Booker Prize te winnen.
In de 28 jaar dat de Librisprijs bestaat werd de shortlist gedomineerd door mannen, slechts drie keer ging de prijs naar een vrouw: Frida Vogels in 1994, D. Hooijer in 2008 en Connie Palmen in 2016. Ondanks alle goede voornemens werden de afgelopen jaren Manon Uphoff met haar veelgeprezen Vallen is als vliegen en de al vier keer genomineerde Esther Gerritsen gepasseerd, en won wéér een man. Dit keer is de shortlist fifty-fifty, met de kanttekening dat Rijneveld schemert tussen man en vrouw, wat ook geldt voor de puber in Mijn lieve gunsteling.

Sterk als een vent
In de wereld van Brouwers zijn vrouwen moeder, godin of seksueel wezen en de genderneutraal geklede verzorgsters in het tehuis van Busken dus ‘man’. Ook in De onbevlekte van Erwin Mortier, door het onterecht ontbreken van Wildevrouw van Jeroen Olyslaegers de enige Vlaamse schrijver op de shortlist, heeft de vrouw een welomschreven rol: moeder Maria óf het sterke geslacht. Andrea, wat ‘sterk als een vent’ betekent, is de hoofdpersoon in Mortiers wonderschone spiegelpaleisje waarin vier generaties in miniatuur het oorlogsverleden van België reflecteren. De eerste generatie is getekend door de Eerste Wereldoorlog, waar Mortier eerder het prachtige tweeluik Godenslaap en De spiegelingen over schreef. De tweede generatie bevat gitzwarte nazi-aanhangers, onder wie Marcel, die zich aansluit bij de Zwarte Brigade en in de Tweede Wereldoorlog sneuvelt aan het Oostfront. Zijn zus Andrea blijft haar hele leven als een gevangene naar zijn terugkomst verlangen. Haar kleinzoon krijgt dezelfde voornaam als zijn mysterieuze oudoom, en deelt waarschijnlijk ook diens homoseksualiteit. Hij wordt schrijver – in wie we Erwin Mortier herkennen, die in 1999 debuteerde met de novelle Marcel, waarmee De onbevlekte een tweeluik vormt. Mortier maakt met een nieuw perspectief en nieuwe brieven het verhaal van de gebeurtenissen in 1943 uit zijn debuut rond.
Mortiers werk ademt melancholie. De familieleden zijn droomfiguren die gezamenlijk een groot geheim bewaren, de schrijver legt als een fotograaf juist de kleine fragmenten vast. Bijvoorbeeld als hij de overgrootmoeder beschrijft: ‘Alles waarin ze haar handen neerliet droeg maagdelijkheid in zich. Melk, room, brooddeeg, of het linnen in de wasteil en het zeepsop waaruit hij, de langverwachte, in mijn dromen oplost en waaruit hij weer opwelt, op zoek naar mijn buik, mijn botten, alsof ik hem uit mijn gebeente zou kunnen herscheppen.’ Heel fraai, maar het hoogtepunt van Mortiers bijzondere oeuvre is De onbevlekte niet.

Goede doelen
Merijn de Boer en Gerda Blees zijn geboren in de idealistische jaren ’80 en dat is te zien in hun genomineerde romans. De Saamhorigheidsgroep van De Boer gaat over een groepje wereldverbeteraars rondom Haarlem. Er is een grappige foto in omloop van de schrijver als baby met een zelfgebreid truitje met daarop het beroemde mannetje van Opland dat tegen een kruisraket schopt: hét icoon van de anti-kernwapen-demonstraties. De Saamhorigheidsgroep staat tien procent van het verdiende geld af aan goede doelen als een naaiatelier in Joegoslavië of een weeshuis in Liberia. De leden recreëren gezamenlijk, liefst naakt, en iedere sessie begint met een knuffelronde. Ze houden elkaar voortdurend in de gaten: zijn ze wel zuiver op de graat? Diplomaat Bernhard in ieder geval niet, want hij heeft een auto die hij stiekem verstopt om de hoek van het huis waar ze bijeenkomen, en is heimelijk maar vurig verliefd op Liza, die zich in eerste instantie alleen door hem wil laten bevruchten omdat dat niet lukt met haar man. De roman is als een komedie waar steeds een ander stel het toneel betreedt, en de kleine verwikkelingen – vooral overspel, veel overspel – leiden al snel af van de idealistische doelstelling van de groep. De Boer, die als partner van een diplomate de laatste jaren in New York en Jeruzalem woonde, duikelt grappige details op als blokjes kaas met zilverui, de blokfluit, ukelele en tamboerijn, volksdansen en de droogbloem (ook te gebruiken als boekenlegger). Zijn stijl is soms wat oubollig, de psychologie dun, en de opbouw in vier delen met verschillende jaartallen onevenwichtig. Het deel in Jeruzalem haalt zelfs de geloofwaardigheid van de rest onderuit, waardoor het boek eerder vermakelijk dan onvergetelijk is.

Leven van licht
Dat is anders bij Gerda Blees, die in Wij zijn licht een huiveringwekkend verhaal in een ingewikkelde maar kristalheldere vorm heeft gegoten. Zij vertelt over een tragisch sterfgeval in de woongroep Klank & Liefde vanuit maar liefst vijfentwintig verschillende perspectieven. Sommige realistisch: de ouders, de buren, de raadsvrouw. Andere plastisch: geitenwollen sokken, twee sigaretten, een cello. En nog andere abstract: de twijfel, weerstand, licht. Alle hoofdstukjes tezamen zetten de lezer onopvallend aan het werk om de familieopstelling te maken en het drama te ontdekken. Elizabeth is in de ban van haar zus Melodie, de dominante leidster van een woongroep die voedsel overbodig heeft verklaard. Ze leven van licht, van de klank van hun gezangen en van de liefde die ze voor elkaar voelen. Onder de zalvende new-age taal die Melodie bezigt zit een hevige strijd verborgen over wie het voor het zeggen heeft over haar demente moeder. Melodie bepaalt niet alleen voor zichzelf – ze heeft een geschiedenis van anorexia – maar ook voor de overige drie onderdanige woongroepleden wat er gegeten wordt. Zelfs na de dood van Elizabeth, het politie-onderzoek en de vrijlating uit hechtenis, lijkt ontsnappen uit haar klauwen niet mogelijk. Net als De Boer heeft Blees zich gebaseerd op een echt bestaande groep, Contact & Muziek, en zelfs op nieuwsberichten en websites. Wij zijn licht is een ontzettend knap boek, dat terecht de Nederlandse Boekhandelsprijs won.

Racisme
Confrontaties van Simone Atangana Bekono is een aanklacht tegen racisme in onze maatschappij en daarmee een uiterst actuele roman. Het zit vol pijnlijke scènes, van een dorpslerares die de half-Kameroense Salomé ‘zwarte piet’ noemt, tot de deelnemer aan een tenenkrommend tv-programma waarin westerlingen tijdelijk in de jungle wonen; uitgerekend hij, in het dagelijks leven therapeut in een jeugdgevangenis, moet Salomé op het juiste pad brengen. ‘Ik heb juist groot respect voor jouw cultuur,’ zegt hij tegen zijn zestienjarige zwarte cliënte. ‘Welke cultuur?’ is de tegenvraag van de gymnasiaste die Albert Camus, W.F. Hermans en de Griekse tragedies als referentiepunten heeft.
Confrontaties drukt niet alleen op de pijnlijke plekken van structureel racisme, maar geeft ook een ontluisterend beeld van een jeugddetentiecentrum. Salomé is slachtoffer van ernstig pestgedrag en slaat op een onbeheerst moment terug, waardoor ze in de gevangenis belandt. Daar draait alles om gehoorzaamheid. Dagritme en therapie zijn verplicht. Als de leiders het nodig vinden wordt verzet fysiek gebroken. Bekono heeft de stem van Salomé, haar intelligentie, onverzettelijkheid, pijn, verlangen, woede en schuldgevoel over wat ze heeft aangericht, overtuigend getroffen. Literair gezien steekt de roman vernuftig in elkaar. Wat een belangrijk boek en wat een sterk debuut!

Het activistische realisme van Bekono is moeilijk te vergelijken met de postmoderne kaleidoscoop van Blees en de grollen van Merijn de Boer. Waar is het de jury om te doen geweest? In vijf van de zes romans is een constante te vinden: een serieuze woede over hoe de maatschappij de mens beklemt, vernedert, zelfs doodt. Bij Brouwers, Blees, Bekono en Rijneveld zit letterlijk iemand gevangen. Als dat de voornaamste focus van de jury is geweest, is het boek van De Boer kansloos om de prijs te winnen. Qua schrijfstijl is deze shortlist voor elk wat wils, en dat schetst het dilemma van de jury: hoe vergelijk je een Rogier van der Weijden met een Rubens? Hoe fraai Mortiers fijngeschilderde tafereel ook is, hoe knap Blees en Bekono hun boeken hebben gecomponeerd, stilistisch zijn er twee bovenbazen: Jeroen Brouwers en Marieke Lucas Rijneveld, die beiden een zinderende, obsessieve woordenstroom op papier smeten. Brouwers’ meneer Busken is een superieure mopperaar, en de tachtigjarige schrijver een meester in de ironie, maar Rijneveld, dertig en toch al zo bedreven en belezen, blaast de lezer van de sokken met paginalange, meanderende zinnen vol associaties, waanzin, erotiek en stilistisch vuurwerk.

Vuur van mijn lendenen
Lolita, licht van mijn leven, vuur van mijn lendenen. Zo begint Nabokovs beroemde en omstreden roman uit 1955 waarin pedofiel Humbert Humbert aan de rechtbank vertelt over zijn liefde voor het kindmeisje Lolita. Marieke Lucas Rijneveld volgt in Mijn lieve gunsteling het spoor: veearts Kurt schrijft het relaas van de liefde voor zijn ‘gunsteling’, het ‘vuur van mijn lendenen’, een veertienjarige boerendochter die schemert tussen kind en vrouw, tussen meisje en jongen, in de gevangenis, waar hij spreekt tot ‘de magistraten’ die hem moeten berechten. Het is de zomer van 2005 als hij zijn oog laat vallen op het kwetsbare en hyperintelligente meisje dat eerst haar broer verloren heeft aan een auto-ongeluk en vervolgens door haar moeder verlaten is. De ‘verlorene’ en de ‘verlatene’ dolen over de pagina’s als open wonden, en het meisje wentelt zichzelf in ongerijmde schuldgevoelens. De man wéét vanaf het begin dat hij fout zit, en toch kweekt Rijneveld ook mededogen met de dader, door hem op zijn beurt een verleden te geven waarin hij werd misbruikt.
Lolita werd door bijvoorbeeld Rudy Kousbroek onthaald als een ‘kunstwerk zonder weerga in de wereldliteratuur’, juist omdat het boek een ‘afwijzing van het gewone’ is; over het lot van het meisje werd gezwegen. Rijneveld toont de andere kant van de medaille, niet door het perspectief van het kind te kiezen, maar door net als Nabokov de misbruiker het verhaal te laten vertellen, en tóch daardoorheen een schokkend portret op te roepen van het beschadigde kind als gewond vogeltje. Noemden lezers van Lolita het meisje nog een verleidster en het misbruik liefde, Rijneveld schudt de lezer van nu wakker. Ik moest het boek af en toe wegleggen omdat ik er misselijk van werd, zo goed is het, om het dan weer op te pakken en mij weer onder te dompelen. Net als Lolita is Mijn lieve gunsteling een ‘groteske’, in de woorden van Kousbroek, en niet voor niets leest de veearts Gerard Reve voor. De ongebreidelde fantasie van het meisje en de stortvloed van kinderlijke details als Bert en Ernie, snoepgoed en Roald Dahl zijn aanstekelijk. Maar intussen gaat Rijnevelds unieke stem door merg en been en sterft de lach op je gezicht. De Librisprijsjury kan zichzelf niet serieus nemen als Rijneveld de prijs zou ontgaan.

Dit bericht werd geplaatst in Nieuws. Bookmark de permalink .