Vandaag in de krant

— mijn interview met Esther Gerritsen, met weer een schitterende foto van Patrick Post (zie hieronder), een recensie over Gerritsens roman Dorst, een recensie over Hotel Vertigo, de Hitchcock-roman van Kees ’t Hart (dat alles in De Standaard), en in De Groene Amsterdammer een stuk over Torgny Lindgren en Bernlef, die beiden hun herinneringen opschreven in een roman, in respectievelijk Herinneringen en Onbewaakt ogenblik.

 

Geplaatst in Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor Vandaag in de krant

Esther Gerritsen, Nederlandse debuten en Amos Oz

Nieuwe artikelen in De Standaard der Letteren:

Anker Een beschaafde man– een stuk over Amos Oz’ Onder vrienden (18-1-2013), dat zich afspeelt in de kibboets. Amos Oz: ‘Voor mij was de kibboets een ultieme universiteit van de menselijke natuur. Ik heb dertig jaar doorgebracht met driehonderd mensen in intieme nabijheid. Ik zag alles, ik zag hen en hun levens, en kende hun geheimen.’ [uit interview met Ha’aretz]
– een artikel over Nederlandse debuten, met Jan-Willem Ankers Een beschaafde man en Marjolijn van Heemstra’s De laatste Aedema als positieve uitschieters. Titel: Adel verplicht (25-1-2013). Citaat: ‘Anker wekt bewondering op, door de durf en de joyeuze overmoed waarmee hij schrijft.’
– een interview met Esther Gerritsen over onder meer de voordelen van ducktape: zie de krant van vrijdag 1 februari. Mét recensie van Gerritsens roman Dorst en natuurlijk weer een geweldige foto van Patrick Post.

Geplaatst in Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor Esther Gerritsen, Nederlandse debuten en Amos Oz

Drie nieuwe opdrachtgevers

Weer een aantal nieuwe opdrachtgevers: De Jan Campert-Stichting vroeg mij een essay te schrijven over Stephan Enters roman Grip. Het verschijnt op 20 januari in een boekje dat speciaal ter gelegenheid van de uitreiking van onder andere de F. Bordewijkprijs wordt gemaakt. De uitreiking is onderdeel van het Schrijversfeest, in Den Haag: zie de website van het Writers Unlimited Festival.
Kunsten ’92, belangenvereniging voor de cultuursector, vroeg mij een stuk te schrijven over de stand van zaken in het gesubsidieerde letterenland: het is te vinden in ‘Het beeld van de sector’ op de website http://www.kunsten92.nl.
En voor NRC Handelsblad schreef ik een artikel over het boekenvak; dat verschijnt vrijdag 11 januari in de Boekenbijlage.

Geplaatst in Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor Drie nieuwe opdrachtgevers

‘IK VERZIN GRAAG MIJN EIGEN FLAUWE GRAPPEN’ – P.F. Thomése Literatuur of karikatuur?

Waarachtigheid, dat is wat ik zoek

De Standaard, 9 november 2012

Door Maria Vlaar – Foto Patrick Post
P.F.Thomése aan de bamiDoor en door ironisch, zou je denken als je van P.F. Thomése alleen Het bamischandaal kent. Maar in zijn herenhuis in Haarlem, vol schilderijen en kinderspeelgoed, zit een doorgewinterde intellectueel met een groot oeuvre. Die graag plat wil zijn, van tijd tot tijd. ‘Banaliteit is een boeiend gebied, waar ik me graag in begeef. Ik houd van Wagner én van countrymuziek. Van verfijnd eten én van een portie bami. En dat kan heel goed naast elkaar.’

Is Het bamischandaal niet eigenlijk een stripboek zonder plaatjes?
Net als een stripboek hangt het van stereotypen aan elkaar. Maar stereotypen zijn ook de basis van alle humor.
De meeste mensen leven volgens hun eigen sjablonen. Iemand als J. Kessels, daar hoefde ik weinig aan te verzinnen. Hij diende zich gewoon aan als personage, al heel vroeg in mijn schrijversbestaan. Hij is journalist en columnist van het Eindhovens Dagblad. Ik ging met hem naar Amerika. De Greatest Hits-verhalen waren oorspronkelijk journalistiek, en toch dacht iedereen dat hij verzonnen was.

Omdat ú hem zo stereotyp heeft gemaakt!
Ja maar zo ís hij. Hij beantwoordt graag aan zijn eigen karaktervastheid, zullen we maar zeggen. Hij heeft zich gemodelleerd naar de films, boeken en songs waar hij van houdt.

En nu modelleert hij zich naar uw boeken?
Misschien wel: op zijn voicemail noemt hij zich ‘J. Kessels’. Hij is de enige die het boek van te voren mag lezen. Want hij is écht mijn beste vriend. Maar het personage Schellekens bijvoorbeeld, die heeft het niet gelezen. ‘Het zal wel wat moois worden,’ zei hij me. En Peer is de andere ‘beste vriend’ van J. Kessels. Hij geeft les aan Polen in Tilburg.

Hij leert ze bami eten?
Nee, porno kijken misschien.

In het boek maakt Peer zich druk om de mensenrechtensituatie in China.
Ja, dat was een grap over de delegatie Nederlandse schrijvers die naar de Boekenbeurs in China werd uitgezonden. Er ontstond een relletje omdat sommige schrijvers zo laatdunkend deden over de mensenrechten. En intussen zo naïef zijn om te denken dat wij daar de boekenmarkt kunnen beïnvloeden. Daar kan Peerke wel overheen, in de categorie stereotypen, dacht ik zo.

Heeft u nooit het idee dat u over zoiets wel iets serieus zou willen zeggen?
Ja, maar dan kom je zo snel in de dagelijkse woordbagger terecht die de journalistiek en de commercie over de mensen heen stort. Wat kunnen wij vanaf hier zeggen over de werkelijkheid in China?
In Grillroom Jeruzalem, dat ik schreef naar aanleiding van een propagandareis waarvoor ik was uitgenodigd, werd ik direct geconfronteerd met de mensen op de Westbank. Daar kon ik dus wel iets zinnigs over zeggen.

Maar er is nu net bericht uit China: het halve openbare leven wordt stilgelegd vanwege het Partijcongres, boeken worden uit de boekhandels gehaald, dissidente schrijvers worden de stad uit gejaagd. Daar kun je toch iets van vinden?
Precies – en wat is dan de adequate reactie? Daarom speel ik een spel met de werkelijkheid en de verbeelding. Mijn boodschap is verzet tegen de vooropgezette denkbeelden. Zodat de lezer zelf gaat nadenken. Dat is de taak van de schrijver.
Als schrijvers zich gaan gedragen als Bekende Nederlanders of Vlamingen, gaat het mis. In vijf minuten kunnen ze hun boek samenvatten op televisie, en dat doen ze beter dan schrijven. Ik hoop dat mijn boeken beter zijn dan ik zelf ben. Ik houd me het liefste bezig met echt goede schrijvers, zoals nu de Zweed Torgny Lindgren.

Maar als er íemand authentiek is, is het de schrijver Lindgren – en u gelooft toch niet in authenticiteit?
Hij komt met verhalen, reconstructies, hypotheses… Lindgren is ongrijpbaar, gekunsteld, dubbelzinnig. De werkelijkheid interesseert hem niet, maar het verhaal wel. Dáár begint de literatuur.
Of het allemaal wel klopt? Of het waar is? Dat interesseert mij geen moer. Zoals de kamer van Proust aan de Boulevard Hausmann; daar zit nu een Koreaanse bank. Je kunt er naar binnen, en ze hebben de ruimte stemmig behangen met de verkeerde kurk, maar dat is het dan wel. Dat zegt helemaal niets.
Het is allemaal fictie. En ik dacht altijd dat mensen die van literatuur houden, dat wel door hadden. En dat ze dat ook kunnen toepassen als ze het nieuws op televisie zien. Maar dat is niet zo.
Ik schrijf voor de kunst maar ook voor de lol. Nabokov zegt: literatuur is beauty plus pity. Maar dat is me te heilig.

Bij u is het: beauty plus pity plus entertainment?
Ja, zoals bij Shakespeare. Die is toch ook de meester van het entertaiment.

Bent u elitair?
Nee, in een biertent op een dorpsfeest ga ik echt niet over Proust of Nabokov staan praten. Terwijl ik daar heel wat van weet. Maar ik wil niet alleen literatuur schrijven die ‘onder elkaar’ verstaanbaar is. Mijn schoonmoeder en mijn buurman moeten mij ook kunnen lezen.
Maar ik schrijf daarnaast voor de goede verstaander. Als ik door niemand begrepen wordt, zou het zinloos zijn. Als schrijver stel ik de hoogste eisen. Het moet onverdund. Door die dubbelheid ben ik veroordeeld tot de ironie. Ook bij de marketingcampagnes rondom mijn boeken en boeklanceringen.

Hoopt u niet dat de recensenten zich tegen u verzetten? Want u probeert te provoceren, maar krijgt steeds maar lof?
Toen Schaduwkind uitkwam, was iedereen positief, vaak niet op literaire maar op persoonlijke grond. Omdat het ging over de dood van mijn dochtertje. Ik had graag gezien dat er meer literaire kritiek op kwam. Het gaat om de vorm. Zó moet het beoordeeld worden. Kritiek op het boek zou ik nooit opvatten als kritiek op mijn vaderschap, of op mijn dochtertje.
Het schrijven van dat boek ging buiten mij om. Het was wezenlijk, iets dat ik vóór het schrijven ervan niet kende. Ik vroeg me af of ik wel schrijver zou blijven. En toen ging het boek ineens over het inzicht dat literatuur kan brengen.

Maar wat Schaduwkind níet heeft, is uw bejubelde ironie.
Nee, dat kon niet. Maar daarna ben ik allerlei onbelangrijke dingen weer belangrijk gaan vinden. Beuzelarijen.
Schaduwkind heb ik in eerste instantie geschreven voor mezelf, en voor Makira, mijn vrouw. De opvolger, Izak, heb ik in dezelfde gemoedsbeweging geschreven. Het was mijn manier om te wennen aan het nieuwe leven, mijn zoontje was toen geboren. En het was een annexatie van mijn vrouw en mijn Molukse schoonfamilie. Het is het meest negatief besproken en het minst verkocht van al mijn boeken. Men miste mijn scherpe pen, mijn ironie.

Bent u nooit uw eigen ironische pose zat?
Ik zie ironie als ‘zeggen en niet zeggen tegelijk’ – het wezen van de literatuur. Het is een spel, maar een ernstig spel. Ik wil de waarheid onder woorden brengen, maar die waarheid is dubbelzinnig. Je liegt én je bent eerlijk. Die dubbelheid zoek ik, en die vind je niet in het meeste autobiografische proza.
En die strijd om de hegemonie van de taal, tussen de marketingtypes en de schrijvers, vind ik geen bijzaak. Ik verzin graag mijn eigen flauwe grappen.

U zou steenrijk worden als u zich zou verhuren aan een reclamebureau.
Ja! Maar dat is voor middelmatige schrijvers.

U wilt steeds iets anders schrijven?
Nou, vanaf de maan bezien zijn wij allen even klein; zelfs in een e-mail herken ik mijn eigen stijl. Maar wezenlijk ben ik een experimenteel schrijver. Nu schrijf ik weer een serieuze roman zonder ironie, De onderwaterzwemmer. Over afwezigheid. Een verhaal gebaseerd op de vader van mijn jeugdvriendje, die in het laatste jaar van de oorlog regelmatig de rivier overzwom, naar het bevrijde gedeelte van Nederland, samen met zijn broer. Totdat de broer een keer niet meer opdook. Hij heeft twee dagen en nachten op de oever zitten wachten. Met dat beeld wilde ik altijd al iets doen, en het heeft ook veel met de dood van mijn eigen vader te maken. Mijn vader was een klassieke intellectueel, we leefden in een groot huis vol boeken. Ik werd journalist, maar mijn moeder vond dat geen goed plan. Ik had drie studies geprobeerd, dat werd niks. Mijn grootvader was bouwkundig ingenieur, kende Berlage en Rietveld, mijn grootmoeder sopraan. Kunst en literatuur waren belangrijk in mijn familie.
Ik was eenentwintig toen mijn vader stierf, en het was een onbegrijpelijke gebeurtenis. Het heeft mijn kijk op het leven helemaal veranderd. Alles gerelativeerd. Wel een melancholicus gebleven, maar minder ernstig geworden.
De dood, in sacrale zin, heeft niets aan ironie. Ja, een begrafenis kun je ironisch beschrijven. Maar de dood zelf, dat gat in je leven, dat zich niet in iedereen weer sluit, verdraagt geen ironie.
Waarachtigheid, dat is wat ik zoek. De rest is flauwekul.

Eerste zin
‘Precies op dit moment ligt J. Kessels op zijn kamer in het Cockroach Hotel te Shanghai ‘zichzelf een hand te geven’, zoals de Chinese uitdrukking luidt: sjekkie in de verkeerde hand en gaan met die banaan.’

De J. Kessels boeken van schrijver P.F. Thomése zijn hilarische verslagen van zijn avonturen en zijn vriendschap met J. Kessels, zijn oudste ‘en beste’ vriend. ‘Al die boeken beginnen met een telefoontje,’ zegt Thomése er zelf over. En vervolgens buitelen de gênante, door-en-door provinciale en platte gebeurtenissen over elkaar heen. ‘Geen fantasie, geen literatuur, geen Nobelprijsgezeik,’ kort samengevat. In Greatest Hits, het eerste Kessels-boek, zijn de twee vrienden op zoek naar countrymuziek in de V.S. J. Kessels: The novel is een road novel waarin het tweetal voetbal, porno en frikandellen vindt in de hoerenbuurt van Hamburg.
Het nieuwe Kessels-boek Het bamischandaal vangt aan met de Tilburger Peerke, die P.F. Thomése opbelt om hulp te vragen. J. Kessels is namelijk verdwenen, ‘zijn lul achterna’, verliefd op het nichtje in het Chinese afhaalrestaurant waar hij iedere week zijn portie bami haalt. Hij zit in Shanghai (‘Fu Yong Hai’ volgens Peer), naar het schijnt. Op naar China dus! Thomése haalt zelf een paar keer Kuifje aan, en daar doet het dan ook aan denken: met de ogen dicht het ongerijmde in, het clichématige avontuur tegemoet. Maar waar Kuifje volkomen seksloos is, denken Kessels (in China ‘Verlepte Lotus’ genoemd) en zijn kornuiten alleen maar aan seks. J. Kessels ‘was die hij was, vond hij. Daar moesten ze het maar mee doen. Verlepte Lotus uit de Koekenbakkerstraat in Tilburg-Noord. Lievelingseten: bami. Hobby’s: geen. That was him.’
China is niet meer dan een plat decor. Alle personages bestaan echt, maar er wordt heel wat met ze gegoocheld in Thoméses literaire universum. Zo merkt hij in Het bamischandaal schamper op: ‘Romantechnisch is het niet zo handig om als auteur streepje personage én de lelijke én de mooie vrouwen voor jezelf te reserveren, en ik kan de critici in de verte al horen jeremiëren.’ Maar ja, de schrijver is ook maar een wezen dat ‘moet vreten, schijten en neuken’. De J. Kessels-boeken druipen van de ironie. Hoogst amusant, en voor de goede verstaander met een duidelijke boodschap over de werking van fictie, literatuur en het literaire bedrijf.

De lancering van Het bamischandaal gaat gepaard met een rake marketingcampagne: een You Tube filmpje waarin heel China in opstand komt tegen de schrijver, omdat hij de Chinese bami in een kwaad daglicht stelt. ‘Die is heel niet te vreten.’
In de prestigieuze Verwey-lezing die P.F. Thomése vorig jaar hield, verzet hij zich juist tegen het vermarkten van literatuur. De schrijver heeft een hooggestemde intellectuele mening over boeken en literatuur, en zet tegelijk alle middelen in om zijn eigen boeken te verkopen; hij leeft immers van de pen. Zelf zit hij daar niet mee, omdat het nu juist zijn punt lijkt aan te tonen: in de huidige maatschappij gaat het om wat je te verkopen hebt, niet om wat je te vertellen hebt. Hij hoopt dat zo’n filmpje de mensen bewust maakt dat het marketing is.

Geplaatst in Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor ‘IK VERZIN GRAAG MIJN EIGEN FLAUWE GRAPPEN’ – P.F. Thomése Literatuur of karikatuur?

De tijd van frivoliteit is voorbij – CHRISTIAAN WEIJTS over een misplaatst gevoel van geluk

Euforie is het verhaal van Johannes Vermeer – niet de bekende Hollandse schilder, maar een moderne architect – die is opgegroeid in de euforische jaren negentig, en die na ruim twintig jaar werken besluit om opnieuw idealistisch te worden. De roman begint met een verwoestende aanslag van islamitische fundamentalisten in een parkeergarage in Den Haag, waarna Vermeer ongewild in het verleden duikt, zijn schooltijd op een elitair gymnasium oprakelt, en met zijn architectenbureau verwikkeld raakt in een strijd om de aanbesteding van een nieuw, spectaculair gebouw, dat moet verrijzen op de puinhopen van de bominslag.
Het is de vierde roman van de romanschrijver en politiek columnist Christiaan Weijts (1976), die in Nederland vooral bekend is van zijn rake politieke columns in nrc.next en zijn literaire columns in De Groene Amsterdammer. In zijn romans nam hij alle kunsten onder de loep: in Art. 285b (2006) speelde muziek een grote rol, in Via Cappello 23 (2008) beeldende kunst, en in de novelle De etaleur (2009) dans. En nu dus de architectuur.

De Standaard, 30 november 2012

Door Maria Vlaar – Foto Patrick Post
Christiaan Weijts

Christiaan Weijts heeft twee kleine kinderen en woont in een bovenwoning in Den Haag. Op de houten vloer vol kinderspeelgoed ligt een kunstboek opengeslagen. Zijn schoonvader past op terwijl ik met Weijts speek over zijn nieuwe roman Euforie. ‘Dat is een feestje hoor,’ zegt opa terwijl hij zijn huilende kleinkind troost. In een café om de hoek praten we verder over literatuur, politiek, het dagelijks leven en over zijn nieuwe boek. En over het vreemde fenomeen ‘naked short-selling’.

U zit bepaald niet stil sinds u vader bent geworden.
Nee, ik schrijf drie columns per week, en maak me druk over van alles. Morgen ga ik demonstreren tegen het Spuiforum, het nieuw te bouwen culturele onderkomen in Den Haag. 180 miljoen euro moet dat ding kosten! Het is een project voor de elite. Terwijl culturele buurtcentra en bibliotheken de deuren sluiten vanwege de bezuinigingen.

En intussen uw vierde roman geschreven.
Dit boek heeft een lange aanloop gehad, maar toen kreeg ik een mooie werkplek aangeboden in het NIAS (Netherlands Institute for Advanced Study) in Wassenaar. De laatste enclave van de geest, noem ik het. Een van de weinige plekken waar niet vergaderd hoeft te worden, waar het alleen om je eigen onderzoek en om schrijven gaat. En waar om 12.30 precies de warme maaltijd wordt opgediend. Ik heb er goed kunnen werken, 50.000 woorden geschreven.

U heeft tot het laatste moment nog vanalles veranderd aan uw boek?
Je hebt een bepaald ideaal dat je nastreeft, daar valt het manuscript nooit helemaal mee samen. Ik heb er tot het einde aan geschaafd. Schrijven is herschrijven, en herschrijven is lezen. Net doen alsof je een lezer bent, in plaats van de schrijver zelf.
Als ik een lezing moet houden denk ik altijd in de trein ernaar toe wel een goede scène te kunnen vinden. En dat lukt dan niet. Ik vind het nooit goed.
Soms weet ik wel wat de mensen leuk vinden. Laatst trad ik op in Wassenaar, voor een gezelschap van bestuurders en hoge ambtenaren, en toen las ik de scène voor die zich afspeelt in het sjieke Hotel des Indes. Lachen! Maar in Heerlen vonden ze daar niks aan…

U geeft in uw boek een tijdsbeeld van begin jaren negentig. Is dat uw tijd?
Ik was vijftien in 1991, en dat was een jaar waarin alles samenviel. De Muur was gevallen, de Golfoorlog brak uit, Europa werd één, de internetbubbel kwam op, het beurskapitalisme…

U beschrijft het als een entertainmentsgeneratie, en een generatie die worstelt met de moraal?
Ja, iedere ochtend CNN kijken, de Eerste Golfoorlog. Maar wij tieners keken ernaar alsof het entertainment was, een computergame. Het was geen échte oorlog. Maar wel spannend. Frivoliteit, dat kenmerkt die generatie; een cultuur waarin niets ernstigs gebeurt, en alles geestig en lollig is. Als er geen bedreigingen zijn en de technologie helemaal tot je beschikking staat en steeds meer gadgets aanbiedt, hoef je ook niet volwassen te worden.

Een vorige generatie schrijvers, onder wie Harry Mulisch, vroeg zich altijd af waar men over schrijven moest als men de oorlog niet had meegemaakt.
‘Het geluk laat zich slecht vertellen,’ zegt Flaubert. Als je in een tijd opgroeit waar alleen maar vooruitgang is, dan moet de stofwolk van elders komen.

Begint uw boek daarom met een enorme ontploffing in een parkeergarage in Den Haag?
Misschien wel ja! Die frivoliteit, dat gevoel onaantastbaar te zijn, dat superieure gevoel, dat hyperkapitalisme, al die ‘zegeningen’ van de jaren negentig, komen nu tot een einde. ‘Euforie’, de titel van mijn boek, betekent: een misplaatst gevoel van geluk. En dat is het echte jaren-negentig gevoel, met de nadruk op ‘misplaatst’.

U schrijft over de slachtoffers van die ontploffing, niet over de daders. Waarom?
Ik wilde graag over de personen schrijven die in het nieuws op de achtergrond blijven. In het nieuws gaat het over ‘het Islamdebat’, maar bij de slachtoffers in mijn boek speelt dat helemaal niet. Daar gaat het om vragen als: Wie ga je redden tijdens zo’n ramp? Iemand die je van vroeger kent, uit jouw kring, of een onbekende, dikke, lelijke man?

U maakt een scherpe tweedeling tussen de ‘gewone man’ en de ‘verhevene’ in uw boek. U citeert zelfs een hele pagina in het latijn. Geeft u daarmee de lezer het gevoel dom te zijn?
Nee hoor, ik kan het zelf ook niet stante pede vertalen! Ik heb dat gedaan om dat superioriteitsgevoel van die lerares op het gymnasium te kenschetsen. Dat geheime-club gevoel dat leefde op het gymnasium. ‘Wij’ tegen de rest, bijvoorbeeld tegen het lyceum aan de andere kant van de straat. Dat kende ik zelf ook; ik zat ook op het Stedelijk Gymnasium in Leiden, waar een deel van het verhaal zich afspeelt.

Meer dan twintig jaar later schrijft u een beetje vilein op wat al die mensen nu geworden zijn. Incident-manager bij een verzekeringsmaatschappij, bijvoorbeeld.
In de gymnasiumperiode van het boek zitten veel autobiografische elementen. Ik ben weleens bij een reünie geweest, en het was écht een bekakte school. In een verhaal, de oerversie van deze roman, had ik de echte namen gebruikt. ‘Dat kun je niet maken,’ werd tegen me geroepen. Ik had een leraar een lul genoemd die volgens anderen een van de aardigste mensen van de school was. Maar in deze roman zijn de personages een eigen leven gaan leiden, met gefantaseerde namen.

En de populairste types hebben nu de saaiste banen?
Is het inderdaad zo saai om incident-manager te zijn? Misschien niet. De meeste mensen hebben een baan waarin ze vast zitten in allerlei structuren. Als je de vacaturekranten bekijkt zit er sowieso weinig spannends tussen. En dat is toch wat de meeste mensen doen.

Wat voor tijd is deze tijd?
Het begin van de neerval. Mijn kinderen zullen een veel zwaardere tijd meemaken dan waarin ik ben opgegroeid. Ik heb een architect als hoofdpersoon genomen omdat dat vak erg hard wordt geraakt door de financiële crisis. En dat is nog maar een voorbode: er komt ook nog de vergrijzingscrisis, een voedselcrisis, een materialencrisis, een energiecrisis…

U vergeet de klimaatcrisis?
Die hebben we ook nog! Maar je kunt daar zo weinig over zeggen. De reflex is om naar kleine dingen te gaan kijken, waar je wel iets aan kan doen. Zoals de politiek zich druk maakt om reiskostenvergoedingen… Maar een architect bouwt in prinicipe voor de toekomst, voor de komende generaties. Die heeft een grotere blik dan alleen het heden.

Beschrijft u daarom zo uitgebreid de Rome-reis, traditioneel de afsluiting van een gymnasium-opleiding, om al die eeuwenoude gebouwen te kunnen beschrijven?
Ja, het Pantheon, dat al die eeuwen heeft meegemaakt. Maar ik vind het Armenhospitaal in Florence, van de architect Brunelleschi, uit 1419, misschien wel het mooiste gebouw ter wereld. Helemaal gebouwd volgens de verhoudingen in het menselijk lichaam, zoals Vitruvius dat had beschreven in de Oudheid, in een geschrift dat toen net weer was teruggevonden.

Kom daar nog maar eens om in de huidige tijd?
Ja, nu is de bouwwereld iets volkomen anders. Als de overheid nu een bouwopdracht geeft, is dat omdat er een goeie deal is met een bank plus projectontwikkelaar. En die zoeken er dan een architect bij die dat een beetje goedkoop kan. Eigenlijk bepalen de banken hoe ons land eruit ziet. Ze verkopen een totaalpakket, met de glazenwassers en klimaatbeheersing erbij. En er is zoveel fraude in de bouwwereld! Net als in de financiële wereld: de ‘naked short selling’, het gokken op aandelenkoersen, is uitgevonden in Holland, in de zeventiende eeuw, toen er werd gespeculeerd op de waarde van Hollandse tulpen. Dat hebben we goed weten te verspreiden over de wereld.

U lijkt pessimistisch, maar uw hoofdpersoon eindigt idealistisch?
Ja, maar dan wordt zijn gebouw niet gebouwd. Het ideale kunstwerk wordt niet uitgevoerd, want dan hoeven er ook geen concessies gedaan te worden. Maar een schrijver wil gelezen worden, een architect wil dat er in zijn gebouw geleefd wordt. Je ontkomt niet aan een bepaalde mate van je ziel verkopen.

U ook?
Ongetwijfeld. Oprechte zelfspot is dat dus. Ik schrijf drie columns per week, dat is natuurlijk ook niet ‘voor de eeuwigheid’. In mij zit die tegenstelling ook. Maar om die columns te kunnen schrijven moet ik naar buiten, en daar doe ik weer ideeën op voor mijn romans. Ik ben zelf een ‘praktische idealist’ geworden, ik probeer wel iets te mobiliseren. Getemperd idealisme, noem ik het.

‘Ga toch weg man’, zegt een televisiepersoonlijkheid, een soort Jan Mulder bij De Wereld Draait Door, tegen een politicus in uw boek.
De macht ligt tegenwoordig bij de televisie, er is een democratisering van de zeggenschap over de maatschappij. Die is verschoven van de politiek naar de media, en naar het bedrijfsleven. De treinen bijvoorbeeld, de ziekenhuizen: daar moet winst gemaakt worden, terwijl het collectieve voorzieningen zijn. Er zit een soort darwinisme in: als je ze op elkaar afstuurt komt de sterkste wel bovendrijven. Misschien kun je dat schijndemocratie noemen.

Uw eerste roman ging over muziek, uw tweede over beeldende kunst, uw derde over dans, uw vierde over architectuur. Werkt u een programma af?
Dat lijkt wel zo hè! Maar het is niet zo, het is toevallig. Ik vond architectuur zo interessant omdat er zoveel aan vast zit: vormgeving, economie, politiek, financiën, techniek, bouwkunde. Een architect is een van de laatste generalisten, net als de schrijver. Wij moeten overal iets vanaf weten, ons overal in verdiepen, en een helemaal eigen wereld maken.

Geplaatst in Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor De tijd van frivoliteit is voorbij – CHRISTIAAN WEIJTS over een misplaatst gevoel van geluk

Interviews met P.F. Thomése en Christiaan Weijts

Onder het kopje ‘Interviews’ (kies ‘Publicaties’ in het menu hierboven) zijn vanaf vandaag de interviews voor De Standaard met Christiaan Weijts en P.F. Thomése te vinden!

Geplaatst in Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor Interviews met P.F. Thomése en Christiaan Weijts

A.F.Th. van der Heijden wint P.C. Hooftprijs

Van der Heijden: ‘Deze prijs is een nieuw begin!’

De schrijver A.F.Th. van der Heijden heeft de P.C. Hooftprijs voor verhalend proza 2013 gewonnen, de meest prestigieuze literaire prijs van Nederland. ‘Het is heerlijk om hierdoor overvallen te worden,’ reageerde de schrijver per telefoon. ‘Om niet heel lang aan het lijntje te worden gehouden met longlists en shortlists, zoals bij de andere prijzen, maar gewoon te horen dat je uitverkoren bent.’ Nadat hij maandag aan het begin van de avond gebeld werd dat hij de prijs kreeg – ‘ik zat net Chopin te luisteren’ – vierde hij zijn uitverkiezing met champagne en kaviaar. ‘Dat had ik toevallig in huis.’
Van der Heijden schreef de romancyclus De tandeloze tijd en begon na de eeuwwisseling met een nieuwe romancyclus, Homo duplex. Tussendoor schreef hij losse romans, onder meer het indrukwekkende Tonio, over de rouw om zijn zoon, die in 2010 bij een auto-ongeluk om het leven kwam. Allerlei gebeurtenissen uit het leven van de schrijver komen in zijn werk terug: zijn katholieke jeugd in Brabant, zijn studententijd in Nijmegen en zijn verhuizing naar Amsterdam. Advocaat van de hanen speelt zich af in het Amsterdamse krakersmilieu. Het juryrapport noemt hem ‘een geboren schrijver’. Dat Van der Heijden de prijs wint, komt niet als een verrassing; hij gold al jaren als kanshebber.
De P.C. Hooftprijs bestaat sinds 1947. In dat jaar werd op 21 mei de 300ste sterfdag van Pieter Corneliszoon Hooft herdacht, de Nederlandse schrijver uit de Barok. Rond diens sterfdag zal de prijs à € 60.000 worden uitgereikt. De prijs wordt jaarlijks toegekend, afwisselend voor essayistiek, poëzie en proza, en kent een roerige geschiedenis. In 1985, toen de staatsprijs nog onder het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen viel, weigerde toenmalig minister Eelco Brinkman de prijs toe te kennen aan columnist Hugo Brandt Corstius, omdat die te ‘kwetsend’ zou schrijven. Brinkman is nu voorzitter van de Eerste-Kamerfractie van de christen-democratische partij CDA. De jury trad af en de prijs werd voortaan uitgereikt onder auspiciën van een stichting, die is ondergebracht bij het Letterkundig Museum in Den Haag.
W.F. Hermans weigerde de prijs in 1971 wegens onenigheid over de hoogte van het bedrag; Jan Wolkers weigerde in 1988 omdat hij vond dat hij de prijs ‘te laat’ kreeg. Het beroemdste moment bij een uitreiking was in 1968, toen Gerard Reve de vrouwelijke minister Marga Klompé een zoen gaf; een opzienbarende geste die nog vaak op televisie is vertoond.
De jury prijst A.F.Th. van der Heijden om zijn ‘ongeremde, retorische stijl’ en de ‘caleidoscopische beelden’ die hij daarmee weet op te roepen. ‘Hij heeft deze tijd waarin wij nu leven en lezen, taal en betekenis gegeven,’ aldus het juryrapport.
Sinds het overlijden van zijn zoon heeft de schrijver zich enigszins teruggetrokken uit het openbare leven. Voor de uitreiking van de prijs wil hij graag naar Den Haag komen, in tegenstelling tot een jaar geleden, toen hij de Constantijn Huygensprijs kreeg. ‘Toen was ik heel wat neerslachtiger dan nu,’ legt hij uit. Bizar toeval wil, dat de uitreiking op 23 mei 2013 samenvalt met de sterfdatum van Tonio, drie jaar geleden, en met het verschijnen van het boek, twee jaar geleden. ‘Maar nu kan ik het wel aan, denk ik.’
‘Ik ben nogal in de prijzen gevallen de laatste tijd,’ zegt de schrijver, die eerder dit jaar de Librisprijs en de NS Publieksprijs kreeg voor Tonio. Bij die uitreikingen was hij niet zelf aanwezig. ‘Deze prijs is een nieuw begin, en juist géén afronding.’ In 2013 zal in ieder geval Kwaadschiks verschijnen, een boek dat niet in de nieuwe cyclus past, maar aansluit bij De tandeloze tijd. ‘De personages zijn ouder en cynischer geworden,’ aldus Van der Heijden. Er zijn nog twee delen van De tandeloze tijd in de pen, waaronder de titel IJzeren man. Het is een illustratie bij het juryrapport: ‘Zijn werken, inmiddels bijna dertig boektitels, zijn één werk. Uit het een groeit het ander, en soms is een nieuw boek nodig om een vorig boek te begrijpen.’

De jury van de P.C. Hooftprijs 2013 bestond uit Rudi Wester, Arnold Heumakers, Xandra Schutte, Thomas Verbogt en recensente van De Standaard Maria Vlaar
[artikel in De Standaard]

 

Geplaatst in Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor A.F.Th. van der Heijden wint P.C. Hooftprijs

In gesprek met David Grossman

Zojuist gepubliceerd in het tijdschrift De Nieuwe Liefde een interview met de Israëlische schrijver David Grossman over zijn nieuwe boek Uit de tijd vallen. Koop het boek en het blad in de boekhandel en/of kijk op de website http://www.denieuweliefde.com.

In gesprek met David Grossman

In gesprek met David Grossman. Foto Maarten Albrecht

Geplaatst in Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor In gesprek met David Grossman

Knausgard – Scandinavische man in crisis

Binnenkort een nieuwe recensie over LIEFDE van Karl Ove Knausgard, de Noorse schrijver van Mijn Strijd, meer dan drieduizend verslavende pagina’s autobiografisch geschrijf…

Een nieuwe opdrachtgever: Kunsten ’92, voor een artikel over de letterensector, en hoe die omgaat met de bezuinigingen van de overheid. Kunsten ’92 is een lobby-vereniging voor kunst en cultuur: zie http://www.kunsten92.nl

Geplaatst in Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor Knausgard – Scandinavische man in crisis

In memoriam Henk Bernlef

In De Groene Amsterdammer en in De Standaard publiceerde ik een In Memoriam Henk Bernlef.

De eeuwige jongen

Zijn vrienden en later ook zijn lezers noemden hem ‘Henk Bernlef’, een samentrekking van zijn pseudoniem Bernlef en zijn werkelijke naam Hendrik Jan Marsman. Hoewel hij naar eigen zeggen juist door Marsman gedichten leerde lezen, vond hij de naamsovereenkomst te zwaar. ‘Bernlef’ verwijst naar een blinde Friese bard uit de achtste eeuw.
Hij werd geboren in een remonstrans ambtenarenmilieu, ‘een godsdienst op de rand van limonade’, waar hij onbeschadigd doorheen rolde. Hij trouwde met Eva Hoornik, de dochter van dichter Ed. Hoornik. Haar zus Erica is de echtgenote van schrijver K. Schippers. De literaire verwantschap met Schippers gaat verder dan de familieband, en begon al vóór de oprichting, in 1958, van het roemruchte tijdschrift Barbarber. De derde oprichter van het tijdschrift, Gerard Brands, overleed drie weken geleden.

De bijeenkomsten bij Ed. Hoornik in de jaren vijftig waren legendarisch. Hoornik had het concentratiekamp Dachau overleefd, was redacteur bij Vrij Nederland en De Gids en bevriend met Achterberg. In een sfeer van vrijheid, drank, poëzie en nieuwe kunstopvattingen werden Bernlef en Schippers, toen amper twintig, in de kring opgenomen. Hoornik en zijn levensgezellin, schrijfster Mies Bouhuys, werden samen met de dochters en schoonzoons geïnterviewd door Ischa Meijer: ‘Dan komen “De Kinderen” zoals Hoornik ze noemt. Schippers voorop. “Dag Pap!” zegt hij met heldere frisse jongensstem. Wat lachorkanen veroorzaakt. Daarachter een clowneske, felle Eva Hoornik. Ten slotte Bernlef: de middenvoor van een solide elftal.’Bernlef had grote bewondering voor zijn leraar Nederlands, de schrijver Rob Nieuwenhuys. ‘Hij draaide een plaat van Fats Navarro, een beboptrompettist, of las ons gedichten van Lucebert voor. Hij zei erbij dat hij er niet alles van begreep, maar dat dat ook niet nodig was. Als je maar gegrepen werd.’ (Tegenliggers, 2001)

Zoals de achtste-eeuwse Friese bard ongetwijfeld zijn gedichten zong, omarmde ook Bernlef in het kielzog van zijn leraar de muziek. Bernlef was begenadigd jazzpianist, hoewel hij dat meestal binnenskamers hield, en jazzliefhebber. Jazz was de muziek van de existentialisten, maar Bernlef en Schippers kozen in Barbarber voor Marcel Duchamp en voor de readymade. Zij brachten het dadaïsme weer terug in de Nederlandse literatuur, dat na Paul van Ostaijen en Theo van Doesburg door de zware toonzetting rondom de Tweede Wereldoorlog was verdwenen. Bernlef:
De dood is een mooi onderwerp
zoals ook het roestige frame
op het platje
de zomer
het droppapiertje
met een tekst over dada
Het tijdschrift wilde het poëtische in het alledaagse laten zien. Dat is altijd zo gebleven bij Bernlef: kijken en luisteren als bron van literatuur. Daarbij was ‘moeilijk doen’ uit den boze: ‘Ik schrijf niet uit een innerlijke drang of zoiets dergelijks, maar altijd vanuit heel concrete dingen. Een bepaalde foto uit een tijdschrift. Een bepaalde tekst uit een krant.’ En later schreef hij: ‘In het doodgewone ging vaak het universele schuil.’
Hij raakte nauw betrokken bij Poetry International, ontmoette dichters over de hele wereld, en vertaalde poëzie uit het Zweeds, van onder anderen Lars Gustafsson en de Nobelprijswinnaar 2011 Tomas Tranströmer. Maar de grootste bekendheid kreeg Bernlef door zijn romans. Hersenschimmen uit 1984 beleefde meer dan vijftig drukken en is een van de moderne klassieken van de Nederlandstalige literatuur. Het is geschreven vanuit een dementerende man die langzaam zijn grip op de taal en op de dingen verliest. De interesse voor de werking van de hersenen, de herinnering en de taal blijkt ook uit ander werk, zoals Buiten is het maandag (2003), waarin een man uit coma ontwaakt, zijn vrouw verloren blijkt te hebben, en zijn verdwenen zoon achterna reist in Amerika. Rouw wordt herinnering, en het boek eindigt met ‘een nieuwe eeuw, een heldere dag’. Een ander sleutelwoord voor Bernlefs oeuvre is ontroering. In 1991 schreef hij de essaybundel Ontroeringen, waar ‘ontroeringsmomenten’ een ‘half zichtbaar zelfportret’ vormen.
Bernlef schreef vanaf zijn zestiende iedere dag; zonder ‘zou je gek worden’, constateerde zijn vrouw nuchter. In 1959 kreeg hij de Reina Prinsen Geerligsprijs voor de dichtbundel Kokkels en de verhalenbundel Stenen spoelen, die als dubbeldebuut bij uitgeverij Querido verschenen. Vanaf dat jaar publiceerde hij gemiddeld twee nieuwe titels per jaar. Zijn roman Publiek geheim (1987) maakte veel indruk; over een groep filmers achter het IJzeren Gordijn, in een periode van ‘dooi’. Kort geleden verschenen een nieuwe verhalenbundel Help me herinneren, en een ruime keuze uit zijn poëzie, Voorgoed. Zijn dichterschap bezorgde hem de P.C. Hooftprijs.
Bernlef bleef jong, hoewel zijn lichaam in een oude man veranderde. Hij was altijd nieuwsgierig naar nieuwe stemmen, vooral in de poëzie en de muziek. ‘En ken je dat dan ook?’ deelde hij zijn grote liefde voor de jazz met iedereen die het maar horen wilde. Die jongensachtigheid was besmettelijk; een droef gevoel kan niemand gehad hebben die net met hem in gesprek was. Toch kon hij in zijn boeken verdriet heel goed woorden geven. In Een jongensoorlog, zijn meest autobiografische roman, beschrijft hij de angst en vervreemding die een kind kunnen treffen, op de vlucht voor de hongerwinter. Vanuit zijn raam ziet hij de buurman, een NSB’er die later onderduikers blijkt te verbergen. Daar leert hij open te staan voor nieuwe inzichten, voor ‘anders denken’.
Zijn dood kwam, ook voor hemzelf, veel sneller dan verwacht. Er zijn nog meerdere te publiceren boeken, gedichten en verhalen, waarvan ‘enkele heel goed, en andere geweldig’, aldus zijn uitgever Annette Portegies. Zijn gedichten, de beste van zijn verhalen en essays en een tiental romans zijn het waard om gelezen te blijven. Niet al zijn boeken zullen de tand des tijds doorstaan. Dat hoefde van hem ook helemaal niet: het ging hem om het schrijven zélf. Of, zoals hij het zelf schreef in zijn laatste bundel Kanttekeningen (2010):
Wie schrijft blijft niet maar onderbreekt zijn leven
en – al is het maar voor even – raakt blind voor wat hij ziet.
Ik heb mijn leven grotendeels verschreven tot
nabeelden langzaam dovend in een boekenkast.

Geplaatst in Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor In memoriam Henk Bernlef