Het Letterenfonds in tijden van bezuiniging

Zojuist gepubliceerd in Boekblad: een artikel over het Letterenfonds. Hieronder is de uitgebreide tekst van het artikel te vinden.

 

 

Zoals alle gesubsidieerde kunstinstellingen lijdt ook het Letterenfonds onder de cultuurbezuinigingen van het huidige kabinet. Halbe Zijlstra is weliswaar demissionair, maar zijn maatregelen zullen vlak voor de verkiezingen zijn ingevoerd. Wat zijn de gevolgen voor schrijvers, uitgevers, festivals, het boekenvak? En hoe ziet het Letterenfonds de toekomst voor zich?

De nieuwe directeur van het Letterenfonds Pieter Steinz heeft net kennisgemaakt met Halbe Zijlstra, maar komt niet met een cadeau voor de letteren terug uit Den Haag. De oud-journalist van NRC Handelsblad probeert zoveel mogelijk van de regelingen die de beide fondsen vóór de fusie beheerden in stand te houden. Steinz houdt de moed hoog. En hij ziet nieuwe kansen: digitalisering, talentontwikkeling en zichtbaarheid. Voor digitale projecten is 210.000 euro beschikbaar. Dat is niet bedoeld voor e-bookuitgaven, maar voor kunstprojecten, zoals ‘Poëzie op het scherm’ dat in samenwerking met het Mondriaan Fonds al sinds 2005 dichters en beeldend kunstenaars bijeenbrengt.Talentontwikkeling betekent dat de stimuleringsbeurzen voor beginnende schrijvers worden ontzien: ze worden onderdeel van de werkbeurzen maar behouden het volledige budget.

De voornaamste bezuiniging zal de schrijvers treffen. De werkbeurzen moeten van de staatssecretaris per 2013 met 20% omlaag. Het Letterenfonds gaat dat doen door de werkbeurzen voor schrijvers die al vijf keer hebben aangevraagd te beperken tot maximaal 30.000, en de inkomenstoets voor aanvragers te verlagen van 51.000 naar 45.000 euro. In De Volkskrant reageerde Geerten Meijsing verongelijkt. Hij zal direct al nadelige gevolgen van deze bezuiniging ondervinden, en over een paar jaar nog eens, omdat ook de ‘eregelden’ voor ‘gepensioneerde’ schrijvers worden afgeschaft. Marjolein Februari schreef eerder al dat de staatssecretaris ‘met zijn oproep vooral “minder budget te besteden aan werkbeurzen voor auteurs” bevestigt dat Nederland liever geld uitgeeft aan hoogleraren literatuurgeschiedenis en medewerkers letteren dan aan schrijvers’. Volgens Greetje Heemskerk van het Letterenfonds zal de grootste bezuiniging misschien niet eens worden bereikt door de nieuwe regels, maar doordat de uitgevers minder titels uitgeven, waardoor ook gelauwerde schrijvers geen zekerheid meer hebben dat hun werk in druk verschijnt. En zonder uitgever geen werkbeurs: een intentieverklaring tot uitgave is een van de verplichtingen bij een werkbeursaanvraag.

Een andere hoek waar de klappen zullen vallen zijn de literaire festivals. Crossing Border en Poetry International zaten eerst in de ‘basisinfrastructuur’, de cultuurfinanciering die direct onder het ministerie valt, maar moeten nu ook bij het Letterenfonds aankloppen, net als het Writers Unlimited festival in Den Haag, Wintertuin in Nijmegen en Passionate/Bulkboek in Rotterdam. Het totale budget is gehalveerd van 1,8 miljoen euro naar 9 ton. De festivals moeten meer ‘geld uit de markt’ halen van de staatssecretaris, net als de theaters en musea. Hogere toegangsprijzen ziet Louis Behre van Crossing Border niet zitten: ‘Dat gaat het bezoek niet slikken.’ Het Letterenfonds lijkt alle festivals over een kam te scheren: er kan maximaal 210.000 euro worden aangevraagd voor drie ‘deeltaken’. Behre zegt dat de bezuinigingen ten koste gaan van de internationale ontwikkeling, concurrentiepositie in Europa en positionering van Crossing Border en Poetry International. ‘Wij kregen 420.000 euro, en nu maximaal 210.000 euro. Of je nu 8000 bezoekers hebt of 500, 150.000 euro eigen inkomsten of 5.000 euro, er zit amper verschil in de hoogte van de subsidie.’ De regeling werkt nivellerend, en is zorgvuldig dichtgetimmerd en toegesneden op de bestaande festivals. Er is geen plek in het subsidiestelsel voor een nieuw initiatief als het Literatuurhuis met bijbehorend festival City2Cities in Utrecht. De aanvraag van City2Cities is dan ook op formele gronden afgewezen.

Bepaalt Den Haag eigenlijk zo vooral waar wel en niet subsidie naartoe gaat? Opvallend is dat de aanbevelingen over het Letterenfonds van de Raad voor Cultuur integraal zijn overgenomen in de ‘kaderbrief’ van Halbe Zijlstra: het afschaffen van de subsidies op literaire tijdschriften, de korting op de werkbeurzen voor schrijvers en het ontzien van het vertaalbeleid. Theo Bijvoet, de hoogste letterenambtenaar en vroeger werkzaam bij het Letterkundig Museum, zit al vele jaren bij OCW aan de knoppen. ‘OCW heeft inderdaad nadrukkelijk geregisseerd. En niet alleen bij het Letterenfonds; alle fondsen hebben van de staatssecretaris een beleidskader meegekregen,’ verklaart hij desgevraagd. Ook voor andere sectoren geldt dat Den Haag graag zelf het stuur in handen heeft. Zo vindt Halbe Zijlstra dat de ‘witte plekken’ in de culturele infrastructuur, zoals dat heet in ambtenarentaal, moeten worden opgevuld, en heeft hij bijvoorbeeld een oproep gedaan een aanvraag in te dienen voor een jeugdtheater in Groningen. Waarom dan niet voor een literair festival in Utrecht of Maastricht, is moeilijk te doorgronden voor buitenstaanders.
‘Er is meer controle vanuit Den Haag over de fondsen,’ zegt ook Pieter Steinz. Hij kent het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds nog van de jaren negentig, toen Rudi Wester directeur was. Die ‘cowboytijd’, zoals hij het noemt, is definitief voorbij. Het Letterenfonds lijkt inmiddels net als de andere fondsen aan de leiband van het ministerie te lopen. De vrijheid binnen een begroting zelf te bepalen waar de subsidie naartoe gaat lijkt verdwenen, meent Steinz.

Het nieuw gevormde Letterenhuis, dat het fonds deelt met Stichting Schrijver School Samenleving (SSS) en de Stichting Lezen, heeft in 2011 een monumentaal pand in Amsterdam betrokken. SSS is voor maar 20% van zijn inkomsten afhankelijk van de overheid en haalt de overige 80% al sinds jaar en dag uit de markt. Toch krijgt ook SSS 20% minder subsidie. Directeur Margreet Ruardi: ‘In ruimte zijn we erop vooruitgegaan, maar de huisvestingslasten zijn wel flink gestegen.’ De huisvesting lijkt voor alle partijen duurder uitgevallen. Er wordt wel gesneden in eigen vlees: via natuurlijk verloop zullen 5 arbeidsplaatsen bij het Letterenfonds moeten verdwijnen. De overhead is hoog, maar dat heeft te maken met de veelheid aan subsidieregelingen en de relatief lage bedragen per subsidie. In overleg met het ministerie zijn de beheerslasten voor 2013 gereduceerd tot onder de 15%. ‘Naar ons idee is het Letterenfonds al met al goed door de bezuinigingen gekomen,’ zegt Theo Bijvoet.

Om de kortingen op de werkbeurzen enigszins te verzachten wil het Letterenfonds inzetten op ‘zichtbaarheid’: schrijvers- en vertalersoptredens in boekhandels en bibliotheken en workshops en creative-writing lessen op scholen. Daarmee lijkt het Letterenfonds aan te koersen op samenwerking met de literaire festivals, de Stichting Lezen en SSS, die ieder jaar vele honderden optredens van auteurs regelt. Margreet Ruardi kan zich voorstellen dat het Letterenfonds bepaalde schrijvers ondersteunt door subsidies te verlenen, waarmee SSS kan korten op de tarieven die de podia moeten betalen aan de auteurs. Dat zou meer dan welkom zijn, want juist de plekken waar de schrijvers zichtbaar moeten zijn, staan zwaar onder druk. Boekhandels hebben het moeilijk en bezuinigen op vergoedingen voor optredende schrijvers. Bibliotheken sluiten voor een deel hun deuren. Scholen hebben steeds minder budget voor literatuur en schrijvers. Festivals moeten hun begroting halveren waardoor ze minder schrijvers uitnodigen en beknibbelen op honoraria. ‘De programmering zal ongetwijfeld schraler worden,’ waarschuwt Louis Behre.
Het is dus de vraag wáár al die schrijvers straks zichtbaar moeten zijn. Ruardi is volop op zoek naar nieuwe plekken. ‘Kom niet teveel op tv want dan slijt je gezicht, was een advies aan Malle Pietje,’ relativeert zij tegelijk. Hoeveel zichtbaarder kunnen schrijvers worden zonder dat het ten koste gaat van hun echte werk: schrijven?
‘Zichtbaarheid’ lijkt het toverwoord dat de marktwerking moet vergroten. Het Letterenfonds wil dat doen door een website te ontwikkelen waarop informatie over schrijvers beschikbaar is, naast de auteursinformatie die bijvoorbeeld de Koninklijke Bibliotheek, SSS en VPRO al verschaffen. De ‘Vertalersgeluktoernee’ langs boekhandels, een initiatief van vertalers en verbonden aan de Europese Literatuurprijs, lijkt een gelukkiger keuze. En Steinz zet in op een interviewreeks in Spui 25 met gesubsidieerde auteurs. Het grote idee dat werkelijk het verkooppotentieel van schrijvers vergroot lijkt er vooralsnog niet tussen te zitten.

Het Letterenfonds wacht nog één beslissing van Zijlstra. De Raad voor Cultuur buigt zich over de verdeling van de HGIS gelden over de fondsen. HGIS gelden zijn budgetten voor internationale activiteiten. Het voormalige Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds heeft daar grote manifestaties met Nederlandse auteurs in het buitenland mee kunnen organiseren. De aanvraag van 345.000 euro per jaar waarvan het fonds in 2013 onder meer een festival in Argentinië en in 2014 in Brazilië wil organiseren gaat al uit van een bezuiniging van 25%. In totaal is er door het rijk 4,6 miljoen euro gereserveerd voor internationale cultuurpresentaties; 2,8 miljoen wordt rechtstreeks door het Ministerie uitgegeven voor statelijke manifestaties zoals onlangs in Turkije. Opnieuw zit de liberale staatssecretaris liefst zelf aan het stuur.

Het boekenvak lijkt intussen met andere problemen te worstelen. In de keten van schrijver tot boekhandel is de subsidie een marginale factor. Zelfs in crisistijd weet het vak de eigen broek op te houden. De rijkssubsidie van ruim 10 miljoen euro die via het Letterenfonds wordt verdeeld en besteed, wordt dan ook niet door iedereen in het vak gevoeld. Nederlandse uitgevers hebben weinig directe baat bij het Letterenfonds. ‘Uitgevers voelen ten onrechte niet aan dat wij betalen voor vertalers,’ zegt Pieter Steinz daarover.
In het vak lijkt niet alleen de schrijver, maar ook de boekhandel de zwaarste klappen van de crisis en de bezuinigingen op te vangen. Het Vlaamse letterenfonds ondersteunt daarom al rechtstreeks boekhandels. Michiel Scharpé van het Vlaamse fonds: ‘Zij kunnen een beroep doen op verschillende steunmaatregelen, zoals gratis boeken en subsidie voor het organiseren van activiteiten in de boekhandel.’ Maar een dergelijke koerswending zit er bij het Letterenfonds niet aan te komen. ‘Dat is niet onze taak,’ zegt Tiziano Perez van het Letterenfonds. Een nieuwe toekomstvisie op de betekenis en werking van subsidies in letterenland zit niet in de pijplijn. Perez kijkt vooral uit naar 2015, als Nederland wellicht opnieuw themaland wordt op de Buchmesse in Frankfurt. Er gloort licht aan de horizon.

Maria Vlaar

Het Letterenfonds is in 2010 ontstaan uit een fusie tussen het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds, dat vooral uitgevers financieel ondersteunde en de Nederlandse literatuur in het buitenland onder de aandacht bracht, en het Fonds voor de Letteren, dat vooral schrijvers en vertalers van inkomen voorzag. Het Letterenfonds kent een reeks van subsidieregelingen, zoals de regeling van werkbeurzen voor schrijvers en van vertaalsubsidies voor buitenlandse uitgevers die Nederlandse literatuur uitgeven, en activiteiten, zoals het organiseren van literaire presentaties in het buitenland. Literaire festivals ontvangen hun rijkssubsidie via het Letterenfonds. Daarnaast beheert het Letterenfonds het Vertalershuis, waar buitenlandse vertalers kunnen werken, en schrijversresidenties, en organiseert en subsidieert het workshops voor vertalers.

Geplaatst in Artikelen, Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor Het Letterenfonds in tijden van bezuiniging

Zsuzsa Bánk

Op 11 september interview ik Zsuzsa Bánk in het Goethe Institut te Amsterdam. Ook interview ik haar voor de letterenbijlage van De Standaard. Er is al een stukje van het boek te lezen op http://www.athenaeum.nl/boek-van-de-nacht/zsuzsa-bank-de-lichte-dagen en er zijn kaarten te verkrijgen via http://www.goethe.de/ins/nl/ams/ver/nl9610586v.htm

Zsuzsa Bánk werd geboren bij Hongaarse ouders, die in 1956 na de opstand in Boedapest naar Duitsland vluchtten. Zij is tweetalig opgevoed. Haar roman Die hellen Tage verschijnt nu in Nederlandse vertaling.

Geplaatst in Interviews, Interviews on stage, Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor Zsuzsa Bánk

Zalm in krant

Column in Filter, tijdschrift over vertalen, nu te koop in de betere boekhandel

Zo hoort de zalm in krant eruit te zien volgens Smulweb

Stuur foto’s van de zalm in krant mét smaakrecensie in per e-mail mg.vlaar@xs4all.nl

Op Smulweb, een van de sites voor receptverslaafden, vond ik een recept voor zalm in krant. Koop op de markt een flinke zalm. Bestrooi de zalm van binnen en van buiten met zout en peper, wrijf hem in met olijfolie, en vul hem met 2 flinke handen verse peterselie, venkel, basilicum. Vouw de krant open en leg de zalm in het midden. Strooi er 2 citroenen in dunne plakjes, een gesnipperd lenteuitje, twee eetlepels venkelzaad en nog eens 2 handenvol kruiden over. Leg ook wat van de kruiden onder de zalm. Besprenkel de vis met olie, rol de vis stevig in de krant, vouw die strak dicht en bind het pakje goed vast met keukentouw. Maak de krant goed nat (anders vat hij vlam!) onder de kraan en leg het pakje 35 min. op een bakplaat in de oven, of 25 min. op de barbecue.
Zelf heb ik het nog niet geprobeerd. Zou het lekker zijn, zalm met inkt?
Mijn visboer verpakt de vis niet meer in krant, omdat inkt niet gezond schijnt te zijn. De makreel gaat mee in vetvrij papier en plastic. Maar op de markt gebeurt het nog wel: de vis wordt razendsnel van kop en ingewanden ontdaan en met één handige beweging in een krant gerold.
Ik interview regelmatig schrijvers voor kranten. Niet alle schrijvers vinden dat zonder risico. ‘Misschien zei ik wel dat ik dat bullshit vind, maar ik bedoelde dat ik daar niet zo erg van houd.’ De schrijver in kwestie kijkt mij smekend aan. ‘Je gaat dat toch niet letterlijk opschrijven?’
Soms zou een schrijver mij, de criticus en interviewer, het liefste over willen slaan. Om rechtstreeks met zijn lezer te kunnen praten. Tegelijk heeft hij mij nodig: bijvoorbeeld als de schrijver, zoals die ik hierboven citeerde, graag duidelijk wil maken aan zijn publiek dat hij niet zélf een nare enge man is, maar alleen over een nare enge man schrijft.

Als de schrijver achter het witte vel papier zit, of achter het maagdelijke beeldscherm, dan begint het praten in zijn hoofd. Een schrijver die zegt dat hij alleen voor zichzelf schrijft wantrouw ik. De schrijver praat tegen het papier en probeert daar dan een leesbare of zelfs heel mooie vorm voor te vinden. Hij praat rechtstreeks met zijn lezer.
Denkt hij.
In werkelijkheid is het natuurlijk anders. Tussen schrijver en lezer zit een leger van professionals: een uitgever, een redacteur, een corrector, een verkoopmedewerker, een boekhandelaar, een PR medewerker, een krantenredacteur, een recensent, een interviewer – en al die vaklezers, als ze het boek tenminste al lezen, interpreteren de tekst. Overal kan het fout gaan, in de ogen van de schrijver. Sommige schrijvers denken dat de band tussen schrijver en lezer daarentegen wél zuiver is.
Niets is minder waar.
Ook bij de lezer kan het grondig mis gaan.
Als schrijver stel je je bloot aan de buitenwereld. Iedereen interpreteert erop los, misverstand wordt op onbegrip gestapeld. Uw boek is toch autobiografisch? ondergraaft de eerste de beste lezer het zorgvuldig opgebouwde nawoord bij de roman, waarin subtiel uitgelegd wordt dat er heel wat verzonnen is in dit boek.

Toen ik laatst Jan Siebelink interviewde, vertelde hij dat lezers vanalles lezen in zijn boek Knielen op een bed violen. Dus dat bedoelt hij ermee! denken ze dan. Mensen gaan iets doen met het boek waar Siebelink zelf geen idee van heeft, en komen dat vervolgens aan de schrijver uitleggen. Over het verduisteringspapier in de kwekerij bijvoorbeeld: daar begint het duistere geloof dus al! concludeerde een lezer. En over de rode bessen in de hulsthaag: daar zag een andere lezer de stigmata van Jezus in, de doornenkroon met bloeddroppels. Ze lezen het emblematisch. En daar begint de Literatuur, zei Siebelink in het interview.
Daar begint de literatuur: in het hoofd van de lezer. En dus niet in het hoofd van de schrijver. Het is natuurlijk flauw van mij om dat zo te zeggen. De schrijver probeert immers uit alle macht de zinnen zó te schrijven, dat hij de interpretatie door de lezer maximaal kan beïnvloeden. En dat is nu juist ook het vervelende van critici en interviewers: zij vormen een laag tussen schrijver en lezer. Of ze zijn een poortwachter, zoals de wetenschap ze tegenwoordig noemt. Ik zou willen zeggen dat ze ook meer dan eens een erehaag zijn, waardoorheen de schrijver triomfantelijk naar zijn lezers wordt geleid. In ieder geval is een deel van de lezers ‘verduisterd’ of juist verlicht door de interpretatie van de criticus, en is de zuivere band met de lezer die een schrijver graag koestert, een illusie.
Vertalers zijn óók zo’n laag tussen schrijver en lezer. In sommige slecht gelukte gevallen een naar tefallaagje waar alles vanaf druipt. Maar in goede gevallen een mooi laagje olie dat fijn in het gietijzer trekt, waardoor alles nog knapperiger en smakelijker uit de pan komt.
Schrijvers hebben nogal eens een afkeer van die tussenlaag. Met hun uitgever, hun boekhandel, hun vertaler, hun recensent en interviewer hebben ze een haat-liefde verhouding. Dat geldt in hoge mate voor de krant. Terwijl sommige schrijvers juist terugdeinzen, doet de uitgever er alles aan om zijn schrijver geïnterviewd, gerecenseerd, besproken te krijgen in diezelfde krant. De schrijver is heus ijdel genoeg om mee te doen, en hij moet toch ook ergens zijn brood mee verdienen. Laatst fulmineerde op een SLAA avond in De Balie de Vlaamse schrijver Yves Petry, winnaar van de Librisprijs voor zijn roman De maagd Marino, tegen al die recensenten die zijn boek verkeerd geïnterpreteerd hadden (of, en dat is natuurlijk ernstiger, slecht gelezen), en tegen die interviewers die verontwaardigd constateerden dat Petry niet over zijn privéleven wenste te vertellen. Zijn boek gaat over een kannibaal, en dat is natuurlijk een aantrekkelijk onderwerp voor de redactie van De Wereld Draait Door. Maar ja, die kannibaal verorbert iemand die zelf opgegeten wil worden omdat hij teleurgesteld is over de Literatuur. Dat is voor de redactie van DWDD dan weer een onoverkomelijk minpuntje.
Maar ik zou zeggen: so what? Dan ga je toch lekker thuis aan je volgende boek schrijven in plaats van op te draven in een programma waar niemand de moeite heeft genomen je boek te lezen? De schrijver zit in de tang, en heeft daar uit lijfsbehoud een flexibele oplossing voor gevonden. Is de recensie of het interview naar zijn smaak? Dan prijst de schrijver zijn criticus of interviewer de hemel in. En bevalt het niet? Morgen wordt de vis erin verpakt.

Geplaatst in Columns, Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor Zalm in krant

In memoriam Gerrit Komrij

gepubliceerd in GPD bladen en De Standaard

‘Ik zag zijn dood aankomen, maar het trof me toch erg,’ zegt Remco Campert, een van Gerrit Komrij’s dichtersvrienden. De twee leerden elkaar kennen tijdens een rechtszaak die de Vijftigers hadden aangespannen tegen de uitgeverij van Komrij’s bloemlezing De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten in 1979. Zonder toestemming waren hun gedichten opgenomen in de eerste druk. Maar de echte woede betrof het feit dat Komrij de Vijftigers zeer karig had bedeeld in zijn bloemlezing. Campert nu: ‘We hadden het te hoog op met onszelf.’
‘Het conflict was niet persoonlijk,’ zegt hij daarover, en na de rechtszitting, die door de Vijftigers verloren werd, schudden ze elkaar voor het eerst de hand. ‘Uitpraten hoefde niet.’ Er volgde een vriendschap die duurde tot Komrij’s dood. Vanaf de tweede druk kreeg Campert het maximum van 10 gedichten in de bloemlezing, en hij bezocht Gerrit en Charles in Vila Pouca da Beira. Hij mocht Komrij graag, ‘en ik had de indruk dat hij mij ook graag mocht’.
‘Hij heeft de poëzie bekend gemaakt,’ noemt Campert als een van de grote verdiensten van Komrij. ‘Hij was een heel open man, ook in zijn keuze voor poëzie; ruimhartig.’ In een gedicht dat hij voor De Volkskrant schreef naar aanleiding van Komrij’s dood noemt Campert hem ‘liefdevol’, maar ook een ‘strenge meester van de poëzie’.

Ooit zei hij het liefst te willen sterven in een stad met een klinkende naam als Port au Prince of Kaapstad, of in Portugal, waar hij een kasteel bewoonde. Het werd een ziekenhuis in Amsterdam. De dichter, criticus, polemist, romancier en romanticus Gerrit Komrij bezweek in de nacht van 5 op 6 juli aan kanker.

Vanuit de arbeiderswijk in Winterswijk waar Komrij in maart 1944 geboren werd vertrok hij in 1963 naar Amsterdam en debuteerde in 1968 bij Uitgeverij De Arbeiderspers met Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten. Hoewel hij vele romans en ego-documenten schreef, waaronder bekende als Verwoest Arcadië (1980), Over de bergen (1990) en De klopgeest (2001), geldt zijn faam vooral zijn gedichten en polemieken. Ook zijn vertalingen, waaronder veertien toneelstukken van Shakespeare, werden geprezen. In 1976 kreeg hij nationale beroemdheid door zijn kritieken op televisieprogramma’s, waaraan Nederland het woord ‘treurbuis’ dankt. In 1993 kreeg Komrij de hoogste literaire onderscheiding in Nederland, de P.C. Hooftprijs. Niet voor zijn proza of poëzie, maar juist voor zijn virtuoze essays en columns.
Zijn werk is te lezen als een ‘autobiografie in vermomming’. Veel zaken die hem bezighielden komen erin terug. Zoals zijn leven in Portugal, waar hij met Charles Hofman, al achtenveertig jaar zijn vriend, sinds 1988 in Vila Pouca da Beira woonde. In zijn huis was zijn hang naar de negentiende eeuw en de romantiek zichtbaar, die ook in zijn vroege werk klinkt. Zijn gedichten hadden iets ouderwets: strak in de vorm, een voorkeur voor sonnetten, een retorische toon. Critici noemden het soms ‘rederijkerspoëzie’, maar Komrij spotte met het genre, en zette de traditie onbekommerd naar zijn hand. Ernst en spot gingen bij hem gelijk op. ‘Ik vind dat je de grote dingen in een mensenleven – dood, ziekte, eenzaamheid – hoonlachend af moet doen, of op ironische wijze beschrijven,’ zei hij daarover.

Komrij was een mopperaar, maar geen conservatief: hij dacht niet dat vroeger alles beter was. Vrolijk omarmde hij de laatste jaren het nieuwe medium internet en ontpopte zich tot blogger, onder de veelzeggende naam ‘Lucifer in het hooi’. Politiek ging hem aan het hart: ‘Wie zegt dat het zo’n vaart niet loopt met de gevaren van het populisme deelt in feite mee dat het zo’n vaart niet loopt met de afbraak van de democratie,’ schreef hij in 2009.
Wat de poëzie betrof was zijn hart groot: hoewel hij dichters genadeloos kon afstraffen als academisten of prutsers, heeft hij honderden dichters en gedichten uit de vergetelheid gerukt in zijn iconische en eigengereide bloemlezingen, te beginnen met De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten in 1979, een onverwachte bestseller. De vele bibliofiele uitgaven van Komrij’s eigen gedichten werden zeer gewild door verzamelaars, die soms hoge bedragen betaalden voor Komrij-parafernalia. Als Dichter des Vaderlands, een positie die opgetrokken wenkbrauwen bij andere dichters ontlokte, en oprichter van de Poëzieclub, maakte hij zich sterk voor het genre, en verschafte zich tegelijk een groot podium voor zijn opvattingen en gedichten.
Komrij’s beschouwingen en columns, voornamelijk in NRC Handelsblad, gelden vaak andermans taalgebruik, waar hij welbespraakt gehakt van maakte. Zijn polemieken – tegen collega-dichters, tegen de ‘geestelijke slaapzucht’ bij politici, tegen wetenschappers, tegen machthebbers – vertonen zelf taalvondst na taalvondst en verraden een enorme belezenheid (Komrij was ook verwoed boekenverzamelaar). Hij sprak zich vrij uit over alles en iedereen die hem stoorde. Over Kluun bijvoorbeeld: ‘De patsers hebben een stem gekregen.’
Door Martin van Amerongen, de legendarische hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer, werd Komrij eens getypeerd als ‘de klassieke nar, die niemand gelooft, zelfs als hij de waarheid spreekt’. Hij was als een kat in vreemd pakhuis, maar het pakhuis adopteerde hem uiteindelijk als mascotte. Komrij zal bekend blijven als de eeuwige ironicus, die nooit meende wat hij zei, maar tegelijk gemeend geëngageeerd was. De Nederlandse literatuur zal zonder zijn scherpe kraaienstem en vileine commentaar verder moeten.

Het Komrij-wezen

Er is een fabeldier dat ‘Komrij’ heet,
Een wonderlijke naam voor zoiets aardigs.
De kop ervan is weliswaar vrij breed,
Maar verder heeft het niet veel eigenaardigs.

Hij is een beetje sullig, een soort flop.
Zijn handen lijken erg op kolenschoppen.
Ook zit de kop gewoon er bovenop.
Hij zal zich nooit eens tot iets moois ontpoppen.

Hij is een hond, meer niet. Zijn hele leven
Zal hij een wezen zijn ‘dat steeds begrijpt’.
Alleen diep in de nacht jankt hij soms even,
Daar een geheime pijn zijn strot toeknijpt.

Geplaatst in Artikelen, Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor In memoriam Gerrit Komrij

Leon de Winter en Philip Huff

Zojuist gerecenseerd in De Standaard der Letteren: VSV, de spektakelroman van Leon de Winter, en Niemand in de stad van Philip Huff. Beide stukken zijn te lezen op de website van De Standaard, en later hier op mijn website.

In beide boeken speelt Amsterdam een hoofdrol: Huffs boek gaat over het corporale studentenleven, De Winters boek over het kwetsbare evenwicht tussen de Amsterdamse penoze en Marokkaanse jongeren die een aanslag plegen op de stad. Met een andere hoofdrol voor de vermoorde stadsnar Theo van Gogh.

 

 

Geplaatst in Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor Leon de Winter en Philip Huff

Coen Stork, de rode ambassadeur

Deze week interview ik voor de GPD-bladen Coen Stork naar aanleiding van het boek De rode ambassadeur dat journalist Peter Henk Steenhuis over hem schreef. Stork was op cruciale momenten in de geschiedenis in Zuid-Afrika, Cuba en Roemenië. In Roemenië ben ik zelf ook een paar keer geweest; een bijzondere ervaring. Coen Stork was er tijdens de spannendste tijd: de val van dictator Ceausescu. Ook na zijn pensionering bleef hij zich inzetten voor Roemenië, onder andere in het bestuur van de CEEBP (Central and East European Book Projects), waar ik hem leerde kennen.
Het is een van de eerste diplomaten die ik leerde kennen die geestig is, die zijn mening niet onder stoelen of banken steekt, die ruiterlijk opkomt voor de goede zaak, en die hartstochtelijk van kunst houdt.

 

Geplaatst in Interviews, Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor Coen Stork, de rode ambassadeur

Martin Mosebach

Deze week interview ik Martin Mosebach voor De Standaard.

Zijn boek Het onvermijdelijke toeval is de
eerste in het Nederlands vertaalde roman, en heet in het Duits Was davor geschah. Mosebach won de prestigieuze Georg-Büchner-Preis.

In het interview legt Mosebach uit wat het schilderij  ‘Lezende vrouw’ van Vermeer te maken heeft met zijn boek.

Geplaatst in Interviews, Nieuws, Publicaties en interviews | Reacties uitgeschakeld voor Martin Mosebach

Nieuwe recensies

Onder het kopje ‘Publicaties en interviews’ en het subkopje ‘Recensies’
zijn weer nieuwe titels toegevoegd. Onder meer over Kristalman, het aanstekelijke boek van Atte Jongstra over Multatuli,  Blindgangers van Joke Hermsen en Liefde heeft geen hersens van Mensje van Keulen. De recensies zelf zijn te vinden op de website van De Standaard, van De Groene Amsterdammer, of bij mij per e-mail op te vragen. Nieuw in de categorie ‘Recensies’ en ‘Vertaalde literatuur’: Rug aan rug van Julia Franck. Iedere maand voeg ik titels toe aan de lijst!

Geplaatst in Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor Nieuwe recensies

Interview met Otto de Kat

Deze week interview ik Otto de Kat, de schrijver van onder meer het fraaie ‘Bericht uit Berlijn’, een tijdloze roman waarin Operatie Barbarossa, Hitlers plan om Rusland aan te vallen in het begin van de Tweede Wereldoorlog, een belangrijke rol speelt. In een verfijnd weefsel tussen vader, moeder en dochter, alle drie op een andere plek in Europa, blijken geheimen en tegengestelde belangen mee te spelen. Publicatie in de GPD bladen.

Geplaatst in Interviews, Nieuws, Publicaties en interviews | Reacties uitgeschakeld voor Interview met Otto de Kat

Jury P.C. Hooft-prijs 2013

Het bestuur van de P.C. Hooft-prijs heeft gevraagd of ik zitting wil nemen in de jury van de P.C. Hooft-prijs 2013 voor verhalend proza, samen met Arnold Heumakers, Xandra Schutte, Thomas Verbogt en Rudi Wester. Een eervol verzoek!
Maar eerst wordt in het Letterkundig Museum in Den Haag op 24 mei nog de P.C. Hooft-prijs 2012 uitgereikt aan de dichter Tonnus Oosterhoff.

Geplaatst in Nieuws | Reacties uitgeschakeld voor Jury P.C. Hooft-prijs 2013