Huiselijkheid – over Rachel Cusk en Daniel Mendelsohn

De Standaard – vrijdag 20 maart 2020 – Boeken – Essays  

Huiselijkheid
De ene essayist is de andere niet: Daniel Mendelsohn essayeert over zijn Odysseus, Rachel Cusk over haar bankstel.

 Door Maria Vlaar

Het is ochtend, je wordt wakker met lichte hoofdpijn, je kind heeft haar poepluier zelf uitgedaan en staat triomfantelijk in haar bevuilde bedje, het brood in de kast is beschimmeld, de koffie is op en de wasmand puilt uit. Gewone huiselijkheid die, nu men verplicht thuis moet blijven, voor velen plotseling een groter deel van de werkelijkheid is dan ooit. Denkt u als u deze scène in een roman zou lezen, aan een vrouw of aan een man? Mijn eerste gedachte is aan een vrouw. Iedereen, lezer en schrijver, is immers geconditioneerd om in termen van ‘vrouwelijkheid’ en ‘mannelijkheid’ te denken, ook al zijn we geëmancipeerd en gelijk. In de literatuur is de dagelijksheid zoals ik die hierboven beschrijf, net als de terreinen ‘emoties’ en ‘huishouden’, van oudsher het domein van vrouwenliteratuur.

Daniel Mendelsohn (59), gevierd recensent van The New York Review of Books, essayeert in zijn nieuwe bundel Pijn en genot dat speciaal voor de Nederlandstalige markt is samengesteld, nadrukkelijk over vrouwenliteratuur. Hij heeft een compleet andere kijk dan de Engelse romancier Rachel Cusk (53), die in haar bundel Coventry schrijft over onder andere autorijden over de kleine landweggetjes rond het huis in Zuid-Engeland waar zij met haar gezin woont. Ze filosofeert achter het stuur over waarom mensen te hard rijden en of kinderen nog wel veilig buiten kunnen spelen. Maar net zo persoonlijk schrijft ze over de moeizame relatie met haar ouders, de ‘worsteling van de hedendaagse vrouw op weg naar persoonlijke vrijheid’, en over de ongemakkelijkheid die je kan overvallen als je kleren past in een pashokje. Als ze na een verbouwing haar huis opnieuw heeft ingericht, schrijft ze over haar angst voor visite op het nieuwe bankstel: ‘alsof ik iedere kras en veeg en vlek direct op mijn blote huid kon voelen’.

Rommelige slaapkamer

Al meer dan tachtig jaar geleden beweerde Virginia Woolf in Een kamer voor jezelf dat de vrouwelijke schrijver die zich tot haar vrouwelijke werkelijkheid beperkt vaak op kritiek kan rekenen, aldus Cusk in een essay over Woolf. Pijn en genot van Daniel Mendelsohn lijkt daar het levende bewijs van. Mendelsohn schrijft erudiet en interessant, zoals het openingsstuk waarin hogere literatuur (Homerus) en populaire cultuur over robots (de film Her) worden besproken en hij als geschoold classicus lange lijnen trekt tussen Griekse heldenepen en de moderne cultuur. Net als Rachel Cusk schrijft hij over Virginia Woolf en haar pleidooi voor ‘authentieke vrouwenliteratuur’. Maar zonder zich daar openlijk van bewust te zijn, haalt hij in zijn essays hard uit naar culturele uitingen van vrouwen, die hem te weinig herkenning en heldendom opleveren.

Bijvoorbeeld naar Sofia Coppola, regisseur van de vaak filosofisch geduide film Lost in translation. Met Marie Antoinette maakte ze een film over ‘levenslustige jonge vrouwen die tegen sociale beperkingen aanlopen’ en ‘het innerlijke leven van een koningin […] die niets meer was dan een gewone vrouw’, aldus Mendelsohn. Hij vindt dat het Coppola ontbreekt aan reflectie op de geschiedenis, noemt haar oppervlakkig en ‘intellectueel gesproken schokkend naïef’ en eindigt zijn bespreking met de sneer dat Coppola’s ‘ergste nachtmerrie bestaat uit een rommelige slaapkamer’. Het maakt mij alleen maar nieuwsgierig naar hoe Cusks vrouwelijke blik op Coppola’s gefilmde slaapkamer zou zijn. In Mendelsohns essay over Oscar Wilde gaat het opnieuw over oppervlakkigheid en esthetiek, maar nu bespeurt hij juist wél een serieuze intellectuele onderlaag. Mendelsohn laakt in een bespreking van Een klein leven van Hanya Yanagihara ‘de visie van deze vrouwelijke schrijver op mannenvriendschap’; een van de vele kritische noten die hij kraakt, luidt dat de homoseksuele personages en liefdesrelaties in het boek niet ‘herkenbaar’ zijn. [tekst loopt verder onder illustratie]

Roger-Raveel-Vrouw-met-revolver (Roger Raveel)

Onder de kritische lat

Bij nagenoeg iedere creatieve uiting van een door Virginia Woolf geagendeerde ‘authentieke’ vrouwenstem duwt hij het product onder zijn kritische lat. Mendelsohn is idolaat van de Odyssee, de heroïsche zwerftocht van de held Odysseus na afloop van de Trojaanse oorlog. Hij bewondert literatuur en films als hij er de oude mythen en tragedies in herkent. Niet voor niets heet de bestseller waarin hij met zijn vader een reis over de Middellandse Zee maakt, Een odyssee.

Terwijl Mendelsohn als het om vrouwelijke schrijvers gaat een sterke voorkeur voor lesbiennes aan de dag legt – hij heeft meer of minder bewondering voor Sappho, Susan Sontag, Mary Renault – lijkt hij tegelijk niet te begrijpen dat er ook vrouwen zijn die de ‘vrouwelijke beleving’ van de werkelijkheid afwijzen. Susan Sontag, bijvoorbeeld, had een hekel aan haar lichaam en worstelde met haar (homo)seksualiteit. Mendelsohn schrijft bestraffend dat haar ‘culturele gretigheid en literaire ambitie uiteindelijk de zachtere emoties hebben afgesloten, niet op de laatste plaats haar moedergevoelens’. Sontag zocht ‘grootsheid’ in de literatuur en vond die uitsluitend in het domein van mannen; ze bewierookte ‘een lange lijst Europese (bij voorkeur middelbare) mannen’, zoals Sebald en Brodsky. Bovendien had Sontag een ‘koele, beoordelende blik’ die haar ongeschikt maakt als romanschrijver, vindt Mendelsohn. Geen moment vindt hij het aanmatigend om een vrouwelijke schrijver af te rekenen op te weinig vrouwelijkheid en ongewild illustreert hij wat Cusk zegt: ‘In de poging deelgenoot te worden van de mannelijke literaire cultuur verliest de vrouwelijke schrijver haar integriteit – en haar kans op grootsheid.’ Wilde Sontag met de jongens meespelen? Mendelsohn sluit alsnog het hek voor haar neus.

Oneindig obscure levens

In het werk van Knausgård, die in zijn romanserie Mijn strijd expliciet de huiselijkheid van een kinderrijk gezin en de strubbelingen van een gewoon huwelijk tot literatuur weet te verheffen, en daarmee doet wat Woolf propageerde, namelijk het optekenen van ‘al die oneindig obscure levens’, ziet Mendelsohn ook al niet veel. Hij prijst wel Knausgårds tachtig pagina’s tellende essay over Hitler, maar de uitgesponnen verhalen over de ‘rijke onbeduidendheid van onze dagelijkse ervaringen’ laten hem volkomen koud; hij herkent er niets in.

De term ‘feminisme’ gebruikt Mendelsohn in Pijn en genot te pas en te onpas. Zo vindt hij de film Titanic feministisch, omdat Rose een ‘getroebleerde jongedame is die ruw behandeld wordt door een man’ en uiteindelijk zichzelf redt, en ook de tv-serie van A song of ice and fire van George Martin, ‘op het eerste gezicht een door testosteron gedreven melodramatische avonturenroman’ blijkt ondanks het volgens hem ‘onnozele’ acteerwerk van de vrouwelijke hoofdpersonen ‘een opmerkelijk feministisch heldendicht’. Naast de roodharige schoonheid die zo mooi borduurt en voorbestemd is met een koning te trouwen, is er namelijk ook nog ‘de oerlelijke jongste dochter’, die graag het zwaard hanteert en niet trouwen wil, en een vrouwelijk personage dat onvruchtbaar is en aldus ‘het biologische moederschap vervangt door een politieke loopbaan’. Net zo is Mendelsohn van mening dat Pedro Almodóvar, die furore maakte met gewelddadige films over stierenvechten en vrouwenmishandeling, zich vanaf de film Todo sobre mi madre bekeerde tot het feminisme, omdat hij vrouwen niet meer als ‘vreemdsoortige mythologische wezens, hysterica’s of vampiers’ zou neerzetten, maar als ‘wezens die enigszins in de buurt komen van echte vrouwen in het echte leven’. In de ‘nieuwe film Volver’ – het is vervelend dat dit soort opmerkingen uit zijn recensie in 2007 niet zijn weggewerkt in de boekuitgave – vormen immers ‘hardwerkende vrouwen’, ‘vrouwelijke emotionele solidariteit’ en ‘diepe emoties van tamelijk gewone mensen’ de hoofdmoot, schrijft hij bewonderend. Maar het meest geweldige van Almodóvars nieuwere films vindt Mendelsohn ‘dat het moederschap de Kunst overtroeft’.

Wereldvreemdheid

Is het feminisme, als een vrouw onvruchtbaar moet zijn om politicus te worden en als een Spaanse filmer moederschap boven de kunst stelt? Of zeggen deze gevolgtrekkingen vooral iets over Mendelsohns wereldvreemdheid? Waar Cusk vanaf de eerste pagina van haar essaybundel persoonlijk is en zij het moederschap niet idealiseert, maar náást haar schrijverschap plaatst, weet Mendelsohn het persoonlijke op afstand te houden. Tot aan het laatste essay over de historische romans van Mary Renault (1905-1985), die Mendelsohn las vanaf zijn veertiende, gaat zijn boek uitsluitend over pijn en genot van ánderen, wat Mendelsohn een schrijvende lezer maakt en Cusk een lezende schrijver. Renault, populair onder homo’s, opende hem de ogen voor de heroïsche Griekse verhalen maar vooral voor zijn eigen homoseksuele geaardheid. Ze is in zijn ogen een geweldige schrijver, maar als vrouw gemankeerd: ze is namelijk geen moeder; haar ‘innerlijke identiteit’ was eigenlijk een jongen. Mendelsohn vertelt over zijn leergierigheid en zijn pogingen een homoseksuele liefde te vinden die lijkt op een van Renaults personages. ‘Ik had het gevoel dat iets beginnen met echte mensen een vorm van verraad was.’

Daniel Mendelsohn vindt zijn heil uitsluitend in de literatuur, liefst Homerus, Proust, Joyce, grote verhalen over mannelijke helden die buitengewone levens leiden. Daarin vindt hij de herkenning die hij zoekt en die hij in ‘vrouwenliteratuur’ nooit vinden zal. In de boeken van zijn voorkeur hoeft namelijk nooit een luier verschoond te worden, en doet niemand de was. Cusk intussen rijdt peinzend over de weggetjes rond haar huis, het moment uitstellend dat ze thuiskomt met de boodschappen en het gewone leven en dagelijkse gemodder in duikt. En dan tussendoor aan de keukentafel een roman schrijft over diezelfde huiselijkheid.

Daniel Mendelsohn
Pijn en genot. Van de oude Grieken tot ‘Game of thrones’
Vertaald door Aad Janssen en Irene Paridaans, De Bezige Bij, 332 blz

Rachel Cusk
Coventry|
Vertaald door Jeske van der Velden en Caroline Meijer, De Bezige Bij, 272 blz

 

Dit bericht werd geplaatst in Nieuws. Bookmark de permalink .