Tirade voor Erik Menkveld

Een jaar na zijn dood is een nieuw nummer van het literaire tijdschrift TIRADE verschenen, samengesteld voor Erik Menkveld (1959-2014). Emilia Menkveld en ikzelf, zijn weduwe, hebben opgetreden als gastredacteuren.

Tirade‘Beklagenswaardig is de leerling die zijn meester niet voorbijstreeft.’ Dat is het motto van Leonardo da Vinci, dat Erik Menkveld meegaf aan wat zijn levenswerk is gebleken, de roman Het grote zwijgen. De vriendschappelijke en tegelijk rivaliserende meester-leerling-verhouding tussen de componisten Alphons Diepenbrock en Matthijs Vermeulen is een van de dragers van de roman. En in zijn essaybundel Met de meeste hoogachting is de band tussen meester en leerling zelfs het grondpatroon van het hele boek. De brieven die hij daarin schreef aan ‘voorgangers’, maar ook aan het ‘nageslacht’, gaan onder meer over de kunst van de bewondering.
Erik kon goed bewonderen: saxofonisten, musici, dichters, schilders, schrijvers, beeldhouwers. Muziek en poëzie konden hem in grote vervoering brengen. Zo schreef hij een serie gedichten geïnspireerd door muziek van Robert Schumann, die nog niet gebundeld zijn en in de Verzamelde Gedichten zullen verschijnen die nu in voorbereiding is. Erik wilde Schumanns muziek in nieuwe gedaante doen klinken.
Op 30 maart 2014 stierf Erik volkomen onverwacht aan een hartstilstand. Dit nummer van Tirade, het tijdschrift waarvan Erik jarenlang redacteur is geweest, wordt een jaar na zijn dood uitgebracht. Voor hem. En daarom gaat het over het thema ‘meester en leerling’ in de breedste zin van het woord. Het is doelbewust niet een In memoriam; dat zou Erik te statisch zijn geweest. Hij zou juist interesse hebben gehad in de doorwerking van zijn literaire liefdes en gedachten. Vandaar dat de redactie in nauw overleg met ons ervoor heeft gekozen géén Tirade-nummer te maken waarin door vrienden herinneringen worden opgehaald en verdriet wordt gedeeld. Maar juist een nummer waarin aangetoond wordt hoe de literaire fakkel is doorgegeven en steeds opnieuw wordt doorgegeven. Het is de bedoeling de vitaliteit van de literatuur, die altijd opnieuw zijn vorm vindt, te vieren met dit Tirade-nummer.
Dat gebeurt volop in dit nummer. Bijvoorbeeld in de ontroerende bijdrage van Daphne Huisden over haar vader, leermeester bij uitstek. ‘Ze wilde de meester niet bedekken onder een laag fictie,’ schrijft ze in een openhartig verhaal, waarin Erik als winnaar van de Academica Literatuurprijs voorbijkomt. En het gebeurt bijvoorbeeld in het hartstochtelijk pleidooi van Maarten Asscher voor de poëzie van Salvador Espriu, over wie hij graag ‘in het uitsmijtertijdperk’ met Erik gesproken zou hebben, of in het essay van Rob Schouten over de muzikale extase. Of in Erik van den Bergs ‘brief van Coltrane’, een daadwerkelijk vanuit de dood ‘terugschrijven’ (dixit Vogelaar), Miek Zwamborns antwoord op Eriks brief aan Mark Boyle, die ze tegenkomt in het Gemeentemuseum van Den Haag, en in de verhalen van Eriks leermeesters Dick van Halsema en Ad Zuiderent. En het gebeurt volop in de poëzie in dit nummer: nieuwe gedichten van Eriks collega’s uit het dichtersgilde, bentgenoten, meesters en leerlingen. Over Erik, over de dood, over het leven.
Dit nummer is, om Martin Reints vondst te gebruiken waarmee hij Eriks visie op de wereld omschrijft, als een ‘weefgetouw’ te beschouwen. Op Erik getouw wordt verder geweefd, gekeperd, doorgeschoten, gemoireerd. De schering wordt opgespannen en de inslag op de spoel gezet. Natuurlijk worden daarbij ook herinneringen opgehaald en verdriet gedeeld. Het kost immers veel moeite om te ‘denken dat iemand die dood is dood is’, zoals Neeltje Maria Min zo meesterlijk dicht, bij iemand die zo midden uit het leven wordt geplukt.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Nieuws en getagged met . Maak dit favoriet permalink.