Had ik een hoed gedragen, u begrijpt

Zwaag, de zeven levens van Joost Zwagerman, mijn biografie over de schrijver die decennia lang de toon zette, de jaren ’80 en ’90 representeerde, een BN’er werd en uiteindelijk zelf uit het leven stapte, krijgt nog steeds iedere dag volop lof van lezers. Vandaag weer: ik kreeg zojuist een mooie brief van een aardige meneer uit Drenthe, die mij schrijft ‘Respect voor dit levenswerk! Had ik een hoed gedragen, u begrijpt.’ Hij eindigt zijn brief met: ‘Wees trots op uw prachtige boek. Van de biografieën over Van Oorschot, Claus en Wilmink heb ik ook genoten. Boeiend te zien hoe je vorm kunt geven aan mensenlevens. Ik denk dat Joost heel gelukkig met uw boek zou zijn geweest. Wat zou Joost zijn zonder Vlaar?’
De inmiddels honderden lezers – zeker 80% man, trouwens, tot mijn verrassing – die mij schreven, zijn zonder uitzondering positief, en dat is hartverwarmend. Zeker nu de ex-echtgenote bij gebrek aan een tegenstander de aanval op mij heeft gekozen, door een interview te geven aan een verklaarde vijand van Zwagerman. Hieronder mijn antwoord, dat gepubliceerd is op het onvolprezen literair weblog Tzum. De weduwenstrijd rondom Joost Zwagerman is een interessant fenomeen, en voor De Nederlandse Boekengids werk ik nu aan een essay over het verschijnsel ‘schrijversweduwe’. En nee, ik ben géén voorstander van wat in uitgeversland vaak gezegd wordt: Kill the widow. Ik ben er zelf ook een.

Tzum – weerwoord Maria Vlaar

Foto: Bianca Sistermans

Anders dan wat Arielle Veerman beweert in het interview met Arjan Peters in HP/De Tijd van 23 februari jl. heb ik verspreid over de jaren die ik aan het boek werkte vele, lange uren met haar gesproken ten behoeve van mijn onderzoek voor de biografie over haar ex-man Joost Zwagerman. In ZWAAG zijn de sporen van die interviews volop te vinden: zo citeer ik uitgebreid uit de liefdesbrieven van Joost Zwagerman aan Arielle Veerman, die ik van haar zelf heb gekregen. Ook gaf ze mij financiële gegevens over zijn inkomsten in 2015 die niet in het archief in het Literatuurmuseum te vinden waren, en mappen die ze na zijn dood had meegenomen uit Zwagermans huis in Haarlem. Ze heeft haar visie uitgebreid uit de doeken kunnen doen. En ze heeft de kopij mogen lezen – net als Zwagermans moeder, broer en kinderen en zijn weduwe Maaike Pereboom de kopij hebben gelezen – en in twee sessies van vijf uur heeft ze mogen zeggen wat ze ervan vond. Daarna heb ik een aantal correcties doorgevoerd en passages licht aangepast, zoals iedere biograaf betaamt.

Veerman beweert in het interview dat ze Zwagerman een empathischer biografie had gegund. Maar laten we niet uit het oog verliezen dat Veerman en Zwagerman vele jaren lang een afschuwelijke vechtscheiding uitvochten. Veerman vroeg van mij beslist geen empathie voor haar ex, maar wilde dat ik Joosts moeder en zijn opvoeding de schuld gaf van wat zij Zwagermans persoonlijkheidsstoornis noemde. In dat frame ben ik niet meegegaan, want er waren geen medische rapportages die die gevolgtrekking rechtvaardigen. Een biograaf kan nooit conclusies trekken op basis van één bron, die in dit geval duidelijk een eigen agenda had. Ze wilde ook dat ik de alinea zou schrappen over het detectivebureau dat ze op Zwagermans nieuwe lief Maaike Pereboom had af gestuurd. Veerman heeft haar herinneringen aan haar ex beschreven in De langste adem. Ze eiste dat ik haar – soms letterlijke – formuleringen uit die roman zou overnemen, vooral als het over de vechtscheiding ging. Dat heb ik niet gedaan.

Ze beweert ook dat ik nooit toegang tot Zwagermans ‘privé-archief’ had mogen krijgen. Maar ik heb toestemming gekregen om het archief in het Literatuurmuseum te raadplegen van de drie mensen die er in 2017 over gingen: de beide testamentair executeurs Elik Lettinga (tevens mijn uitgever) en de weduwe Maaike Pereboom, en de oudste zoon Thijs Zwagerman. Er is, anders dan wat Veerman beweert, geen onderscheid tussen een literair en een privé-archief in dat museum. Als ik geen toegang tot het gehele archief had gekregen, had ik de opdracht tot het schrijven van een biografie natuurlijk nooit aanvaard.

Het Literatuurmuseum is een rijksarchief met strenge regels. Daar heb ik mij vanzelfsprekend strikt aan gehouden. Voor alle niet eerder gepubliceerde citaten van Joost Zwagerman – uit de dagboeken, brieven, e-mails in dat archief – heb ik toestemming gekregen van de vrouw aan wie Zwagerman zijn nalatenschap toevertrouwde: Maaike Pereboom. Voor haar, kon ik achteraf opmaken uit de reactie van haar nieuwe man Joost Nijsen, is het beeld van Zwagerman dat ik in mijn boek geef niet rooskleurig genoeg. Voor Veerman juist niet zwart genoeg, hoewel ze nu anders beweert. Ik denk dat dat de objectiviteit van mijn boek goed illustreert. Anders dan wat sommigen roepen, heb ik mijn compassie voor Joost Zwagerman nooit verloren.

Veerman zal altijd het laatste woord willen hebben over Zwagerman, en dat gun ik haar. Zijn traumatische dood is voor de direct betrokkenen niet te verteren. Haar strijd gaat in wezen niet over mij of over mijn boek, maar over wie als Zwagermans weduwe de literatuurgeschiedenis in zal gaan. Als biograaf wilde en blijf ik mij buiten zo’n strijd opstellen.

Maria Vlaar

Dit bericht werd geplaatst in Nieuws. Bookmark de permalink .