Ik is een ander

Autofictie als trend

Steeds meer romans gaan over een ‘ik’ dat sterk op de schrijver lijkt. Dat die ‘ik’ niet altijd en volledig samenvalt met de auteur lijkt de lezer te ontgaan. Sterker: het is wat de lezer wil geloven, en wat de pr-machine doet draaien.

Maria Vlaar

De Standaard zaterdag 11 juni 2022

 Wide Vercnocke

Al sinds het begin van de literatuur als kunstvorm piekert de schrijver over welk personage te kiezen voor een nieuw boek. Moet het een ‘hij’ of een ‘zij’ of tegenwoordig ook wel een onzijdig of dubbelzijdig ‘hen’ zijn waar de auteur het verhaal omheen plooit, een ‘je’ (kán goed werken maar komt weinig voor) of een ‘ik’? Welk perspectief maakt fictie overtuigend? Bij de klassieken kwam een ik-verteller zelden voor, buiten de liefdeslyriek van Sappho en Catullus, in de middeleeuwse literatuur was het nagenoeg ondenkbaar. En in de twintigste eeuw? Weet u of de hoofdpersoon van De avonden van Gerard Reve of in Het verdriet van België van Hugo Claus een ik of een hij is? En denkt u dat die boeken over Gerard en Hugo gaan?

‘Ik wou dat ik het allemaal over kon doen.’ Met die zin, die de auteur doorstreepte, waarin twéé keer ‘ik’ staat, begint De Mitsukoshi Troostbaby Company van Auke Hulst. In deze roman, waarmee Hulst net naast de Librisprijs viste, treden maar liefst vier afsplitsingen van de schrijver op: drie heten er Auke van der Hulst, een variant op de auteursnaam, één heet Kay. Het boek is een verbluffend spiegelpaleis van alternatieve identiteiten en levenslopen (de eerste zin is niet voor niets doorgestreept), maar toch overheerst in alle interviews en leesclubgesprekken en zelfs in recensies het autobiografische karakter van de roman. Het gaat over Auke, die schrijver is, die rouwt over een abortus van zijn voormalige vriendin en over zijn gemist vaderschap. Net als in het echt.

‘De buik van mijn vader is zachter dan die van Sally, maar in omvang zijn ze elkaars gelijke. Als ik mijn vader omhels, voel ik zijn buik.’ Zo begint Onze kinderen van Renée van Marissing, ook een boek over ouderschap dat voor de Librisprijs genomineerd was. Het familieverhaal van de ik (Mia) vertoont grote overeenkomsten met dat van de auteur (Renée). Net zoals in Wormmaan de hoofdpersoon Elke, die virtuoos foetert over ‘de vrouw die ik nooit werd’, voor veel lezers het gezicht van de auteur Mariken Heitman zal krijgen, zeker nu Heitman de Librisprijs gewonnen heeft en ze overal geïnterviewd wordt. In een interview met deze krant zegt ze: ‘Elke is mijn alter ego’, haar ‘andere ik’ dus.

Van de Olympus af
Je kunt een boek een roman noemen, een werk van fictie, een verzonnen verhaal, maar zodra je hoofdpersoon ‘ik’ is en ook nog schrijver van beroep, gaat de lezer op zoek naar de autobiografische werkelijkheid áchter de woorden. Lezers doen dat misschien onbewust, maar auteurs, uitgevers en interviewers doen dat bewust. Een pr-medewerker van een uitgeverij zei mij onlangs dat haar eerste vraag aan een auteur met een nieuwe roman luidt: ‘Hoeveel procent hiervan is autobiografisch?’ Alleen de autobiografische aspecten worden vervolgens gedeeld met tv-programma’s en andere pers, want dát willen de potentiële lezers weten.
Lisa Weeda is de kleindochter van de Oekraïense Aleksandra uit de titel van haar roman. Zij voert een ik-personage met de naam Lisa op. De boek-Lisa en de echte Lisa zijn in de ogen van de lezer identiek. Hoe literair bijzonder dit magisch-realistische relaas verder is, lijkt er nauwelijks toe te doen. Zelfs in deze kwaliteitskrant is het boek niet gerecenseerd maar is de auteur wél uitgebreid geïnterviewd over haar leven, haar oma, haar geschiedenis, haar Librisprijsnominatie en de oorlog in Oekraïne. De interviewster schrijft: ‘Nina, Klawa en de andere zus Lida, oudooms Kolja en Sasja, de neven en nichten uit de stamboom van Weeda, het zijn allemaal personages in haar roman. “Dit is fictie”, leest de disclaimer die het boek inluidt. “Elke gelijkenis met bestaande personen of gebeurtenissen berust op toeval.” Dat is meteen de grootste onwaarheid uit het hele boek.’ Het waarheidsgehalte is belangrijker dan de ingenieuze literaire vorm die Weeda heeft gevonden.

 Emma Vanhille

Willen schrijvers het zo graag over zichzelf hebben dat de lezers het verschil niet meer hoeven te zien tussen de auteur en de ‘ik’ in een boek? Of is het uitgekookter en weten schrijvers dat lezers minder enthousiast zouden zijn als ze het over ‘hij’ of ‘zij’ of ‘hen’ hebben? Murakami vindt het hij-perspectief een vorm van ‘neerkijken op de personages’. Hij wil als schrijver ‘op hetzelfde niveau staan’ als de andere personages en kiest daarom graag voor de ik-verteller. In zijn verhalenbundel Eerste persoon enkelvoud zijn alle hoofdpersonages oudere mannen ofwel ‘murakamiëske ikken’. De schrijver (in het boek) dient zich bloot te geven en boven noch onder de andere personages, de auteur en de lezer te staan. Als ‘ik’ is Murakami zogezegd afgedaald van de Olympus en staat hij tussen zijn gelijken in. Het is alsof je als lezer door het personage heen recht in de ogen van de auteur kunt kijken, zoals in een spiegel naar jezelf. Werkelijk? Zou de lezer onder dat bombardement van ikken nog wel beseffen dat hij fictie leest, een gefantaseerd verhaal, een roman?

Autobiografische roman
Toen de roman in de negentiende eeuw opgang maakte, was er scepsis. ‘Wat konden gevoel en verstand leren van een verhaal dat geheel was ontsproten aan het brein van een enkel individu, van een schrijver die in een virtuele wereld als een god heerste over het lot van personages?’, vraagt Toos Streng in de studie De roman in de negentiende eeuw zich af. Daarom werd door schrijvers en uitgevers het woord ‘roman’ op een boekomslag vermeden; dat was niet goed voor de verkoop. Tot diep in de twintigste eeuw sprak men denigrerend van een ‘romannetje’ als we het waar- en werkelijkheidsgehalte van een boek niet al te serieus moesten nemen. Het is maar fantasie! Tegenwoordig wordt juist zo vaak mogelijk de term ‘roman’ gebruikt, ook voor boeken die helemaal niet tot het oorspronkelijke genre behoren. Het woord staat niet meer voor een specifiek soort fictie, het verzonnen verhaal van een bepaalde lengte, maar refereert aan een onuitputtelijke literaire gereedschapskist die door alle schrijvers, ook door journalisten, essayisten en non-fictieschrijvers, gebruikt wordt. Flashbacks en flashforwards – niet voor niets termen uit de film waarvoor geen Nederlandse vertalingen in gebruik zijn geraakt –, perspectiefwisselingen, retorische ingrepen, postmodern spel met identiteiten en intertekstualiteit, plotwendingen en karakterduidingen worden volop gebruikt door schrijvers die niet een verzonnen verhaal, maar juist een waargebeurd verhaal willen vertellen. Zo is de merkwaardige term ‘autobiografische roman’ ontstaan die prijkt op De gevangenisjaren van Erdal Balci, genomineerd voor de eerste Boon prijs. Als een roman fictie is – verzonnen dus – dan is de term ‘autobiografische roman’ een contradictio in terminis. Het is óf verzonnen, óf echt gebeurd, en als iets autobiografisch is, is het dus echt gebeurd. Natuurlijk is daar van alles op af te dingen: het geheugen is immers niet objectief, iedereen herinnert zich de dingen anders, herinneringen zijn altijd gekleurd. Het woord ‘memoir’, uitgevonden voor dit soort waargebeurde, literair vertelde boeken met herinneringen, is nooit aangeslagen in de Nederlandstalige literatuur.

Werkelijk of waarachtig
Dat zo’n memoir als een roman wordt gepresenteerd heeft ook een juridische insteek. Zodra er ‘roman’ en niet bijvoorbeeld ‘literaire non-fictie’ op een boek staat, impliceert het dat alles ontsproten is aan de fantasie van de schrijver. Het zou fictie zijn, en dus niet gaan over echte mensen, mensen die zich bijvoorbeeld foutief gerepresenteerd voelen, of beledigd, of zelfs naar de rechter stappen. Voor de zekerheid laat de uitgever een zinnetje in het boek opnemen als ‘Dit is een werk van de verbeelding. Elke overeenkomst van personages met de werkelijkheid berust op louter toeval.’ Dat staat bijvoorbeeld in Deniz Kuypers’ De atlas van overal, ook genomineerd voor de Librisprijs, dat begint met het doodgewone zinnetje ‘Gele herfstbladeren knisperen onder mijn voeten als ik de straat in kom lopen waar ik ben opgegroeid.’ Herkenbaar, toch? Daar loopt Deniz, twee keer ‘ik’, in de herfst door zijn geboortestad. Het is helemaal geen toeval dat de vader in het boek lijkt op de vader van Deniz! Een ‘onthutsend eerlijk document, in de vorm van autofictie’ noemt een recensent van De Telegraaf het. En ook de recensent van De Groene Amsterdammer worstelt met het genre: ‘Kuypers’ familie en omgeving zullen dit boek ongetwijfeld lezen als een “levensbeschrijving” van een vader. Ik zie de briefjes, e-mails, telefoontjes en klaagzangen al voor me: dit klopt niet, dat zie je verkeerd, hij was helemaal niet in Berlijn en die moord zat heel anders in elkaar.’ Kuypers schreef dus een levensbeschrijving, gebaseerd op feiten, maar de recensent van De Groene Amsterdammer concludeert: ‘Echt gebeurd? Welnee, maar het aardige is dat je dit als lezer gaat vergeten, het zou zo gebeurd kunnen zijn, want schrijven kan Kuypers en je gelooft hem op zijn woord.’

De schrijver geloven op zijn woord! In de literatuur gaat het vaak over werkelijkheid en waarachtigheid – iedere schrijver, criticus en redacteur zal dit herkennen. Het is goed mogelijk om een werkelijkheid treffend te beschrijven die tóch bij de lezer als onwaarachtig overkomt. En het is ook goed mogelijk om een onwerkelijkheid heel waarachtig te doen overkomen – zie bijvoorbeeld de boeken van Tolkien, of alle boeken waarin dieren kunnen praten. Waarachtigheid en de daarvan afgeleide geloofwaardigheid is het hoogste goed, en die zucht naar waarachtigheid is volgens mij de belangrijkste reden voor schrijvers om steeds massaler voor de ‘ik’-vertelling te kiezen. Lezers zijn namelijk steeds minder geneigd om een duidelijk verzonnen verhaal voor waar aan te nemen. Had Kuypers zijn verhaal niet vanuit een ‘ik’ maar vanuit een ‘hij’ beschreven, dan had de lezer niet in deze autofictie geloofd. Het is maar een verzonnen verhaal, zou de lezer gedacht kunnen hebben, terwijl die nu denkt: het is zíjn verhaal, zijn hoogstpersoonlijke, intieme, unieke, authentieke, waarachtige verhaal! De lezer is in de kuil van de autofictie getrapt, eendrachtig gegraven door de schrijver, de uitgever en de lezer zelf. Hij is ervan overtuigd dat dit het echte verhaal van Deniz is, het echte verhaal van Auke, het echte verhaal van Lisa. Waarachtigheid, vermomd als werkelijkheid, doordat het verhaal verteld wordt door een ik-persoon met dezelfde voornaam als de auteur of andere grote gelijkenissen. Dat lijkt de nieuwe betekenis van de term roman, waarbij de lezer op zijn wenken bediend wordt met authentieke en zogenaamd echt gebeurde autofictie. Van waarachtigheid naar waargebeurd is maar één klein stapje.

De ziekte van jij
Terwijl deze boeken allemaal het ik, al dan niet dat van de auteur zelf, in het middelpunt plaatsen, is fictie ook juist uitgevonden om je als schrijver een voorstelling te maken van de ánder. Zadie Smith schrijft in ‘Fascinated to presume: in defense of fiction’ in The New York Review of Books over haar drijfveer om schrijver te worden: ‘Ik wilde weten hoe het is iedereen te zijn.’ Zij bepleit mentale flexibiliteit. Zo wil ze zich voorstellen gelovig te zijn, terwijl ze dat niet is. Ze wil juist niet haar eigen emoties herkennen in de boeken die ze schrijft (en graag leest), maar de stemmen van anderen laten klinken. (Ze schreef het stuk deels als antwoord op de roep tegen toe-eigening ofwel cultural appropriation waarbij het onbehoorlijk zou zijn over ervaringen te schrijven die je niet zelf hebt meegemaakt). Ook Smith schrijft vaak vanuit een ‘ik’, maar die ik-persoon kan volwassen of kind, man of vrouw, zwart, bruin of wit zijn, homo of hetero, politiek links of rechts, een jehova’s getuige of haar eigen oudere zuster, en zelfs dood. Over het idee dat alleen een intieme autobiografische band tussen auteur en romanpersonage de rechtmatige basis van fictie zou zijn zegt ze: ‘I do not believe that.’ Altijd in je eigen laantje blijven als auteur is de dood in de pot voor fictie, Smith pleit ervoor zich juist te ontdoen van het eigen ‘ik’, juist niet alleen namens en over zichzelf te spreken, terwijl in de Nederlandstalige romans die ik hier noem de auteurs hun eigen ik verdubbelen; ze voegen een sterk gelijkende ik toe.

Is de neiging van Nederlandstalige schrijvers om een ik te laten vertellen over het leven van een kopie of afsplitsing van de auteur een hypercorrect antwoord op de discussie over toe-eigening? Dat geloof ik niet, maar een gevolg van deze tendens is wel dat ze zich geen buil vallen: niemand kan zich kwaad maken. Er is een ‘ik’ en dus gaat het over de auteur zelf, is de (te) snelle conclusie. De schrijver heeft het (zogenaamd) zelf meegemaakt en vertolkt een authentieke beleving.

Ook Pieter Waterdrinkers heerlijke boek Biecht aan mijn vrouw past in dit rijtje Nederlandstalige ik-boeken, en Herfstdraad van de recalcitrante Jamal Ouariachi, met een ‘ik’ die schrijver is. Roman! De schrijver verzint niet meer een ander, maar zichzelf, die hij immers het allerbeste kent. De lezer gelooft hem op zijn woord en verwart waarachtigheid met werkelijkheid. Die Pieter, die Auke, die Lisa, wat zijn ze toch eerlijk en authentiek en echt, wat schrijven ze eerlijk en kwetsbaar over hun eigen leven!

Neen, lieve lezers: ze schreven een verhaal, net zoals in de negentiende eeuw ‘ontsproten aan het brein van een enkel individu, van een schrijver die in een virtuele wereld als een god heerste over het lot van personages’, zoals Toos Streng formuleerde. Vervang in gedachten de ‘ik’ door ‘hij’, ‘zij’ of ‘hen’, en de namen Auke, Pieter en Lisa door bijvoorbeeld Louis, Frits en Annelies. Kijk dan eens wat er in uw brein gebeurt. En om terug te komen op de vraag die ik in het begin stelde: in De avonden schrijft Gerard Reve over de ‘hij’ Frits van Egters, en Hugo Claus schreef over de ‘hij’ Louis Seynaeve. De ziekte van ik, wat een toespeling is op ‘de ziekte van jij’ waarmee Joost Zwagerman verliefdheid bedoelde, had nog niet bijna alle Nederlandstalige schrijvers aangestoken. Het duurde lange tijd voordat iemand aan Reve en Claus durfde te vragen of het allemaal echt gebeurd was.

Dit bericht werd geplaatst in Nieuws. Bookmark de permalink .