Maria Vlaar bezoekt in Suriname Jodensavanne waar Joden slaafgemaakten tewerk stelden

In de voetsporen van schrijfster Ellen Ombre reist Maria Vlaar naar Jodensavanne in Suriname, waar de ene vervolgde bevolkingsgroep de andere onderdrukte. Een onbekend duister stukje koloniale geschiedenis van Nederland.
Maria Vlaar
De Standaard – Zaterdag 16 september 2023
De Nederlandse excuses voor de slavernij in Suriname door koning Willem-Alexander gaan gepaard met steeds meer aandacht voor het land, ingeklemd tussen Brazilië en de Atlantische Oceaan. Tv-programma’s, festivals, literatuur en exposities zetten de spotlights op de gevolgen van de slavernij voor zowel de 350.000 Surinaamse Nederlanders als de 600.000 Surinamers. Zoals Nederlanders met aandacht het debat rond het Belgische koloniale verleden in Congo volgen, loont het de moeite te begrijpen wat Suriname en Nederland voor elkaar betekenden. Wat naar boven komt over het slavernijverleden is niet mals, vertelt mij schrijfster Ellen Ombre (74), die haar oeuvre bouwde op de geschiedenis van Suriname, waar ze leefde voor ze met haar broers en ouders in 1961 in Amsterdam neerstreek. Haar recentste boek Last gaat over een Surinaams meisje dat gefascineerd is door Jodensavanne, een zeventiende-eeuwse Joodse nederzetting midden in het oerwoud. In Ombres voetsporen reis ik naar Suriname om deze wonderlijk plek te bezoeken.
Amsterdam
‘Bijna alle creoolse Surinamers hebben Joods bloed, en als je oma Nassy heet, zoals mijn moeders moeder, dan zegt dat wat.’ Ellen Ombre woont aan het water in Amsterdam, in een modern appartement waar hier en daar eeuwenoude Afrikaanse meubelen staan; het houten ligbed zou zo in een interieurmagazine kunnen. Met haar roman Negerjood in moederland muntte Ombre in 2004 een omstreden woord. In Last wordt de term uitgelegd als de benen van een hoefijzer: ‘het ene uiteinde Sefarden, het andere Afrikanen in slavernij.’ Ombre vertelt in een mix van essay, biografie en fictie het verhaal van het meisje Lot uit de gegoede middenstand van Paramaribo; haar zwarte vader is griffier bij de overheid, haar lichtgekleurde moeder is van Sefardische, Portugees-Joodse afkomst. Hoewel Lot een vergelijkbaar vage joodse voorgeschiedenis heeft als zijzelf, ziet Ombre er niets in om haar eigen stamboom te onderzoeken. Men was polygaam en destijds werden kinderen weggegeven en aangenomen, zegt ze. Haar achternaam Ombre is mogelijk afkomstig van Franse hugenoten, en dook voor het eerst op bij Dorothea Ombre, een vrijgemaakte slavin van plantage Waterland. ‘Ach, wat heb ik aan die informatie, ik word er geen beter mens door.’
En toch: in Last heeft Ombres hoofdpersoon Lot veel last van gebrek aan kennis over haar afkomst. Als kind fantaseert ze over een foto van een creoolse vrouw, donkerder dan haar moeder, achter gebroken glas. Een oma? Joods of zwart? Niemand wil het haar vertellen. De vader van Lot studeert hard om het verhaal van de Joden in Suriname te reconstrueren. ‘Hij is een zwarte man in een ingewikkelde kleurenmaatschappij,’ zegt Ombre, ‘en wordt door de lichtgekleurde familie van zijn vrouw heel badinerend benaderd. Hij moet tegen zoveel opboksen. Zijn dochter is zijn enige klankbord.’ Zijn obsessie springt over op Lot. Ombres boeken gaan altijd over de ontsnapping, door intellectuele ontwikkeling, aan de geschiedenis van de zwarte Surinamers, waarover ze een gedicht heeft opgenomen in Last: ‘Negerschap is als bloeiende vanille / hoog in de bomen van het bos.’ Die geur van bloeiende vanille rook Ombre op een plek waar ik, en met mij vele Nederlanders, nooit van had gehoord: Jodensavanne.

Jodensavanne
Kort na mijn ontmoeting met Ombre stuit ik op een enorme kankantrie, een heilige boom. Die wijst mij de weg naar een van de wonderlijkste oorden uit het koloniale verleden van Nederland. Het gebied wordt nu bewoond door inheemsen, zoals de oorspronkelijke bewoners van Suriname worden genoemd, en stroomopwaarts, voorbij het Brokopondomeer waar Brazilianen illegaal goud delven, door marrons, afstammelingen van de ontsnapte slaafgemaakten. Hier was van 1685 tot 1832 bovenop een zandheuvel aan de Surinamerivier het centrum van de plantages van Joodse eigenaren in Suriname. Het kreeg de naam Jodensavanne. De stadshuizen zijn niet meer te detecteren in de jungle. Maar de synagoge Beraha VeSalom (Zegen en Vrede), althans de begane grond ervan, is blootgelegd en gerestaureerd. Harrold Sijlbing, voorzitter van de Stichting Jodensavanne en mijn gids, vertelt dat de site komend najaar – als alles meezit – Unesco Werelderfgoed wordt.
Via een zandweg betreden we twee gerestaureerde begraafplaatsen; stille getuigen van het verleden. Op de ene dodenakker liggen – veelzeggend onder Italiaanse marmeren grafstenen – de Joodse families die aan de basis van de Surinaamse samenleving liggen: de Mesquita’s, De La Parra’s, Robles de Medina. En natuurlijk Abraham, Esther, Joshua, Isaac, Judith, Moses en Samuel Cohen Nassy, familieleden van de grondlegger van Jodensavanne, een Portugese Jood die naar dit oerwoud kwam. De Sefardische Joden waren voor de inquisitie uit Spanje en Portugal gevlucht, een groot deel kwam in Amsterdam terecht, waar Joden een ‘oprotpremie’, zoals Sijlbing het noemt, kregen om naar de kolonie te verhuizen. David Cohen Nassy, een van Ombres mogelijke voorvaderen, kwam via Brazilië en wist van de Nederlandse koloniale overheid de toestemming te krijgen voor een Joodse nederzetting met voor die tijd ongekende vrijheden: zelfbestuur volgens de Joodse wetten, grondeigendom, een eigen militie en een vergunning om op sjabbat te rusten en op zondag te werken. ‘Een staat in de staat’, noemt Sijlbing het onder invloed van de messianistische, orthodoxe Braziliaanse beweging gestichte stadje, dat al snel ‘Jeruzalem aan de rivier’ werd genoemd.

Vlakbij de bron waar mensen helemaal uit Paramaribo geneeskrachtig water komen tappen, ligt de tweede dodenakker: de creoolse begraafplaats. Hier liggen de zogenoemde ‘negerjoden’, niet onder marmeren, maar onder eenvoudige, houten grafbeelden. Mensen als Annaatje van Laparra, ‘wat betekent,’ legt Sijlbing uit, ‘dat Anna de dochter was van een De La Parra bij een slaafgemaakte vrouw, en daarmee eigendom van De La Parra.’ Het woordje ‘van’ betekent dus iets anders dan het Portugese ‘de’. Andere creoolse afstammelingen kregen vernederlandste namen als teken van eigendom, zoals Wijngaarde en Druiventak, ruwe vertalingen van De La Parra (‘Van de Wijnstok’). De vele honderden kinderen die hier op Jodensavanne geboren zijn staan aan de wortel van de grote creoolse bevolkingsgroep in Suriname. ‘Als je aan een Surinaamse creoolse stamboom schudt valt er zeker een Jood uit’, is een gevleugelde uitspraak van de Surinaamse schrijfster Cynthia McLeod, die met haar verfilmde roman Hoe duur was de suiker de mores op de Joodse plantages in de nadagen van Jodensavanne schetst. De giftige seksuele moraal en de mishandeling en vernedering van de slaafgemaakten wijzen naar wat Sijlbing ‘de paradox van Jodensavanne’ noemt. ‘Emancipatie en vrijheidsdrang, zowel bij de Joden als bij de slaven’, legt hij de paradox uit van de ene vervolgde bevolkingsgroep die de andere onderdrukt.
Amsterdam
Precies die wrede paradox vormt het hart van Ombres boek. ‘De Sefardische Joden hadden een disproportioneel aandeel in de trans-Atlantische slavenhandel’, zegt ze. Ze waren wrede slaveneigenaren. Ombre vertelt over de orthodoxe vrouwen die met lede ogen aanzagen hoe hun mannen zich vergrepen aan vrouwelijke slaafgemaakten, die met ontbloot bovenlichaam moesten werken, en hoe vervolgens bruine kinderen met de trekken van hun echtgenoot geboren werden. ‘Ze namen wraak op de slavinnen,’ zegt Ombre, ‘het was een perverse maatschappij.’ In de Surinaams-Nederlandse literatuur, van Edgar Caïro over Astrid Roemer tot Raoul de Jong, zijn legio verhalen te vinden over Joodse plantagehouders die ‘hun’ slaafgemaakten straften voor de kleinste vergrijpen, met zwepen en stokslagen misvormden en seksueel misbruikten. Dát is de paradox, de ene onderdrukte die de volgende onderdrukt, die Suriname lang in de greep heeft gehouden.
In 1684 woonden er circa 230 Joden in het stadje Jodensavanne, en ongeveer duizend slaafgemaakten, Afrikanen die in de boten van de West-Indische Compagnie waren vervoerd naar Suriname, verkocht en tewerkgesteld. Tien jaar later ging het al om 570 Joden en zo’n 9000 slaafgemaakten, en in 1737 waren er rondom de nederzetting 115 plantages van Joodse eigenaren, waar koffie, suikerriet, katoen en cacao werden verbouwd. Omstreeks 1770 begon de grote verhuizing naar Paramaribo, omdat de plantages failliet gingen vanwege grote schulden, uitputting van de grond en de voortdurende aanvallen door de marrons onder leiding van vrijheidsstrijder Boni.
Het was een kennis van haar ouders die over Ellen Ombre zei: O, dat is een Joods meisje, dat kan ik zien aan haar ogen en de manier waarop ze kijkt. Ze was een jaar of zeven, oogde ‘mannelijk’ en veel te groot voor haar leeftijd. Ze vond het fantastisch dat een man haar zag staan, ‘dat ik hem kon betoveren met mijn ogen’. Vanaf dat moment was ze gegrepen door de verhalen over vervolgde Joden. ‘Maar je kunt je wel Joods voelen, daarmee ben je het nog niet. Ik was niet eens een vaderjodin, want vader was zwart.’ Terwijl zwarte Surinamers invisible people waren, werd zij in Amsterdam toch gezien, door een schoolvriend die lid was van de zionistische jeugdvereniging Haboniem. Op haar dertiende bediende ze als sjabbesgoi in een orthodox-joods ouweliedenhuis de lichtknoppen. ‘Ik was helemaal involved!’ Zo lijkt Ombre de verpersoonlijking van de paradox van Jodensavanne. Zij vond aansluiting bij de naoorlogse Joods-intellectuele elite van Amsterdam, onder andere door een huwelijk, al eindigde dat in een scheiding.
Paramaribo
In Last wonen Lot en haar ouders op een onverhard stukje van de Nassylaan. Tijdens mijn verblijf in de stad loop ik dagelijks over die straat, van mijn woning naar de overdekte markt aan de Waterkant. Aan de Nassylaan is een glimp van de voormalige glorie van Paramaribo’s centrum te zien: houten huizen van drie verdiepingen, sommige kaal en vervallen, en grote, schaduwgevende mahoniebomen aan weerszijden. Op nummer 107 was eens de drukkerij en het redactielokaal van het tijdschrift De Vrije Stem gehuisvest, in december 1982, na de militaire coup door Bouterse door militairen in brand gestoken. Nu is er restaurant Spice Quest gevestigd. Eigenaar Patrick Woei heeft de voormalige drukpersen in de weelderige binnentuin laten staan, als een monumentje voor de slachtoffers van de Decembermoorden, waarvoor Bouterse nog steeds terechtstaat. De naamgever van de Nassylaan is een van de nazaten van de oprichter van Jodensavanne: Johan Frederik Nassy (1866-1947), geneesheer van het Vincentiusziekenhuis. Hij was getrouwd met Margaretha Brouwer, ofwel ‘Oma Nassy’, met wie hij negen kinderen kreeg, maar had ook nog twee buitenvrouwen bij wie hij kinderen had; in Suriname geen enkel beletsel om een gevierd persoon te zijn. Joods was hij niet meer.

Suriname is een mix. Naast Arowakken en Caraïben wonen hier afstammelingen van alle groepen die in de koloniale tijd heen zijn gekomen, bijna nooit uit vrije wil: Afrikanen van allerlei stammen, Chinezen, Hindoestanen en Javanen die de afschaffing van de slavernij werden ingescheept voor wat nu contractslavernij wordt genoemd, Libanezen, Boeroe’s (negentiende-eeuwse arme boeren uit Nederland) en schaarse verwanten van Europese slavenhouders, waaronder de bewoners van Jodensavanne. Die mix is ook te zien in de Joodse gemeenschap in Paramaribo, die nog maar enkele tientallen leden telt. Ik mag de sjabbatviering bijwonen in de synagoge, een houten monument pal naast de grote moskee. Op de grond ligt witzand – dat voorkomt brand, maar is ook een verwijzing naar Mozes in de woestijn. Creoolse Joden mochten vroeger deze synagoge niet binnenkomen, omdat ze zwart waren. Korte tijd hadden ze een eigen gebedshuis, de Darke Yesharim aan het Sivaplein, maar daar staken de Sefarden een stokje voor. Er is niets van het gebouw over. ‘Ik ben eindeloos gaan zoeken, maar zelfs Joden die ik sprak in Paramaribo wisten het niet’, zegt Ombre.
Jodensavanne
Aan het einde van mijn bezoek aan Jodensavanne haalt Sijlbing een kleine ramshoorn uit zijn rugzak. Hij blaast de sjofar, ‘de trompet van God’, als eerbetoon. De hese klank zoekt zijn weg langs bomen, parasolmieren, spechten en morpho’s, diepblauwe vlinders, naar de Joodse en creoolse graven en de resten van de synagoge. Net als Ombre is hij een verpersoonlijking van de paradox van Jodensavanne. Hier ligt een van zijn voorvaderen begraven, een andere voorvader werkte als slaafgemaakte op plantage Dageraad, aan de oceaan. Een en al modder, ‘alleen maar graven, graven, graven.’ Sijlbing woont in het binnenland, waar hij alles wat hij eet op zijn eigen boiti verbouwt. ‘Ik doe alles zelf, maar graven kan ik niet, doe ik niet!’ Dan stopt hij de sjofar weer in zijn rugzak.